Aleksis Kivi – De Zeven Broers

Mijn zus gaf me voor mijn verjaardag een boek dat al geruime tijd op mijn verlanglijstje stond: De Zeven Broers van de Finse schrijver Aleksis Kivi. Het boek neemt lezers mee naar het Finland van de 19e eeuw. Daarbij schetst Kivi zo’n gedetailleerd beeld van het imperfecte, doch waardevolle boerenleven dat het boek tot de Finse klassiekers gerekend wordt. Vandaag is het de Dag van de Finse Literatuur, die bewust gebaseerd is op Kivi’s geboortedag (10 oktober). Een mooi moment voor een boekbespreking, dus.

Aleksis Kivi werd in 1834 geboren als Alexis Stenvall in Nurmijärvi, ten noorden van Helsinki. Hij groeide op in een Finssprekend gezin, “verfinste” daarom ook zijn achternaam en zou uiteindelijk de eerste auteur worden die een roman in de Finse taal publiceerde. Dat is belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. In de 19e eeuw hoorde (het Groothertogdom) Finland bij het Russische Rijk, maar de culturele en bestuurlijke elite sprak er bijna uitsluitend Zweeds. Het Fins werd wel door een groot deel van de bevolking gesproken, maar had veel minder aanzien als volwaardige taal.

Kivi koos er bewust voor om in het Fins te schrijven en het verschil tussen de “volkstaal” en de “elitetaal” te verkleinen. Zijn leven was kort en zwaar. Hij studeerde aan de universiteit van Helsinki, maar leefde later grotendeels in armoede. Hij kampte met gezondheidsproblemen en kreeg tijdens zijn eigen leven totaal geen erkenning voor zijn inspanningen om het Fins te promoten. Kivi overleed op 31 december 1872 en werd maar 38 jaar oud. Tegenwoordig wordt hij juist beschouwd als een belangrijk schrijver en inmiddels wordt hij erkend als één van de grondleggers van de moderne Finse literatuur.

Het verhaal draait (zoals de titel al verraadt) om het leven van zeven eigenzinnige broers die voortdurend met elkaar overhoop liggen, door de bossen trekken en zich weinig aantrekken van wat de samenleving van hen verwacht. Ze komen uit het buurtschap Jukola, waar hun familieboerderij staat. Maar deze Juhani, Tuomas, Aapo, Simeoni, Timo, Lauri en Eero zijn niet bepaald… keurige heren. De broers zijn koppig, luidruchtig en impulsief. De gemeenschap hoopt constant dat ze zich een beetje aanpassen. Dat ze bijvoorbeeld iedere zondag naar de kerk komen en dat ze leren lezen. Maar dat blijkt voor de jongens van Jukola toch allemaal erg lastig.

Wanneer de druk vanuit hun omgeving steeds groter wordt en de boerderij door een stompzinnig meningsverschil afbrandt, besluiten ze te vluchten. Ze trekken door de bossen naar een wilde plek, om midden in de natuur opnieuw te beginnen. Het zal geen verrassing zijn dat het avontuur daar pas écht begint. De natuur werkt soms mee met hun plannen, maar lijkt zich vaker tegen de broers te keren. Ze hebben steeds ruzie over de taakverdeling, maar vinden ook steun in elkaar wanneer ze honger lijden en moeten schuilen voor allerlei wilde beesten.

Het Finland dat Kivi zo gedetailleerd beschrijft, is een agrarische samenleving. De dorpen zijn klein, afstanden worden te voet afgelegd en in de bossen is het gevaarlijk vanwege de beren, elanden, zwijnen en wolven. Ook het feit dat een storm plotseling kan oplaaien en er soms metershoge sneeuw ligt, brengt veel risico’s met zich mee. Dit bos was tegelijkertijd onderdeel van het dagelijks leven. Voor de broers uit het fictieve verhaal, maar zeker ook voor de Finnen in de werkelijkheid. Hout was nodig voor huizen en brandstof. Er werd gejaagd en gevist voor voedsel. Er werden bessen en andere producten uit het bos verzameld. Kortom, het landschap werd volop gebruikt om in leven te blijven.

Kivi neemt je in dit boek echt mee naar die plekken. Je kunt de dennen, sparren, berken, rotsen, moerassen en meertjes zo voor je zien. Heerlijk, vind ik dat. Hierboven heb ik twee werken van Berndt Lindholm ingevoegd die dit voor mij symboliseren. Ik las ergens dat Kivi een groot liefhebber was van de natuur en de jacht, wat me niets verbaast. Een groot respect voor Finland is de rode lijn door zijn verhalen, maar hij idealiseert de Finse natuur niet. Het bos is mooi en sprookjesachtig mysterieus, maar het kan ook donker, nat, koud en gevaarlijk zijn. Het levert voedsel en grondstoffen, maar is voor de broers ook ontzettend uitdagend qua kennis en arbeid. Wie wil weten hoe de broers daarmee omgaan, zal het verhaal zelf moeten lezen. 😉

Het thema van het boek is tijdloos, namelijk de worsteling tussen individualiteit en saamhorigheid binnen een samenleving. Ook vandaag zijn mensen volop verbonden, maar toch eenzaam. En ook vandaag zouden we het liefste alles zelf oplossen, maar hebben we toch weleens hulp van buitenaf nodig. De broers uit Jukola verzetten zich tegen de maatschappij, maar kunnen uiteindelijk ook niet zonder diezelfde maatschappij. Het is met humor beschreven, je struikelt soms over de scheldwoorden. Daar moest ik persoonlijk soms hardop om lachen, maar dat is vast omdat ik zelf ook enigszins grofgebekt ben (oeps). De diepere betekenis van het verhaal kan zijn dat veel Finnen snakten naar meer zelfstandigheid, waarmee Kivi misschien wel doelde op onafhankelijkheid van Rusland. Als dat zo was, dan moest hij dit sentiment slim in het verhaal verwerken zonder het daadwerkelijk uit te spreken… En dat lijkt hij gedaan te hebben.

Historisch correct?Geschikt en nuttig voor leerlingen?
Ja, zeer realistisch. Waarschijnlijk direct gebaseerd op de samenleving destijds.Hoe zeer ik dit boek ook zou willen behandelen in de klas, denk ik dat het onderwerp te niche is voor scholieren. Kennis over het vooroorlogse Finland is immers niet vereist voor de eindexamens en valt in Nederland buiten het curriculum. Voor studenten die Fennoscandië onderzoeken, is het boek juist wel zeer waardevol.

Ik kwam voor de Rossmann, ik bleef voor de middeleeuwse meuk

Ik zou nooit voor een boodschappentour naar Duitsland rijden, maar toen ik in de Achterhoek was voor een paar afspraken kon ik de verleiding niet weerstaan om even de grens over te steken om wat producten bij de Rossmann te halen. Favorieten uit de tijd toen ik in Pullach woonde, die simpelweg niet bestaan in Nederland. Ik reed naar het stadje Vreden, waar ik verrassend veel middeleeuwse geschiedenis aantrof.

De geschiedenis van Vreden gaat behoorlijk ver terug, want de plaats werd al in 839 voor het eerst schriftelijk genoemd. In de middeleeuwen werd Vreden steeds verder uitgebreid vanuit het vrouwenstift in de stadskern (een religieuze gemeenschap voor adellijke vrouwen). In 1252 besloten de aartsbisschop van Keulen en de bisschop van Münster de plaats te versterken en stadsrechten te geven. Vanwege het nabijgelegen hertogdom Gelre, lag Vreden min of meer op het kruispunt van religieuze en politieke zaken. Ook handelsroutes met uitlopers naar de Hanzesteden lagen vlakbij. In de St. Felicitaskerk werd ik verrast door een paar enorme grafstenen en grafmonumenten van de voormalige abdissen van het vrouwenstift. Ze zijn niet allemaal even oud, één dateert er uit de middeleeuwen en andere exemplaren stammen uit de 19e eeuw. Die laatste waren het rijkst versierd, maar de middeleeuwse meuk blijft voor mij toch het allermooiste. 😉

Lezing: Deens Vikingmonument op het Utrechtse Domplein

Er staat weer een lezing op het programma! Dit keer kom ik op dinsdagavond 13 oktober in de Domtoren van Utrecht vertellen over de kopie van de Deense Jellingsteen die op het Domplein staat. Een Vikingsteen in Utrecht? Waarom dan? Nou, precies dat zal ik die avond uitleggen. 😉

Lees de aankondiging hieronder of op de website van het Domplein.

Deze lezing hoort bij de jubileumviering “Van Puin tot Plein” die op het Domplein georganiseerd wordt. Dit jaar bestaat het plein 200 jaar, hoewel de geschiedenis van de gebouwen en ruïnes rondom de Utrechtse Dom teruggaat naar de Romeinse Tijd. En juist omdat die geschiedenis zo rijk is, worden er dit jaar extra veel evenementen en lezingen georganiseerd waarbij aandacht besteed wordt aan Utrecht, de Dom en het Domplein. Neem zeker even een kijkje op de website. Want of je nu meer van kunst, historie of poëzie houdt, er zit voor iedereen iets leuks bij. Het bezoeken van de Romeinse ruïne bij DomUnder of een ondergrondse tour door het middeleeuwse Paleis Lofen is ook mogelijk.

Tijdens mijn lezing leg ik uit wat de betekenis van de Jellingsteen is. Ook duiken we dieper in een stukje Vikinggeschiedenis van de 10e eeuw (hallo, Harald Blauwtand!) en leg ik de verrassende link tussen Utrecht en Denemarken bloot. Kortom, het wordt een avond vol interessante inzichten. Kaartjes kunnen hier besteld worden.

Tot dan! 😉

Een middag in de meest noordelijke civiele nederzetting ter wereld

En dat was een middag die veel indruk op me maakte. We gingen hier al vroeg tijdens de reis aan land, maar omdat ik nog wat dingen wilde uitzoeken liet het artikel even op zich wachten. Het gaat hier om het dorpje Ny-Ålesund, dat op 79 graden noorderbreedte aan de Kongsfjord (Spitsbergen) ligt. Tegenwoordig wonen hier vooral wetenschappers en medewerkers van een mijnbedrijf, maar de nederzetting heeft nog altijd een knus, dorps karakter. En omdat we ons zo diep in het Hoge Noorden bevinden, zijn de alledaagse voorzieningen hier automatisch bijzonder.

Op weg naar de kustlijn zagen we enkele dwergvinvissen. Het was dus al feest voordat we met de zodiacs aan land gingen! De nederzetting tekent zich duidelijk af tegen de coulissen van het toendralandschap, want de industriële bebouwing is al van veraf te zien. Een constructie die letterlijk overal bovenuit steekt is de zeppelinmast die Roald Amundsen en Umberto Nobile gebruikt hebben tijdens hun poolexpedities. Daarover later meer.

Ny-Ålesund is sowieso een plek waar je letterlijk door de geschiedenis loopt, hoewel er “slechts” een eeuw aan bedrijvigheid heeft plaatsgevonden. De nederzetting werd namelijk in 1916 gesticht door de Kings Bay Kull Compani AS (KBKC); een Noors mijnbouwbedrijf uit Ålesund, op het vasteland van Noorwegen. De naam van het bedrijf laat zich makkelijk verklaren: Kings Bay is de Engelse term voor de Kongsfjord, kull betekent “steenkool” en compani betekent “bedrijf”. Het plan voor de KBKC kwam dus uit Ålesund in Noorwegen en Ny-Ålesund werd speciaal aangelegd als mijndorp op Spitsbergen om daar steenkool te kunnen winnen. In 1917 werd er onder leiding van oprichter en ijszeekapitein Peter S. Brandal begonnen met de aanleg van de mijn en de voorzieningen voor de mijnwerkers.

Voordat je aanmeert bij Ny-Ålesund, moet je de WiFi en Bluetooth van je elektronische apparaten uitschakelen. Daartoe is iedereen wettelijk verplicht, omdat hier zeer gevoelige meetapparatuur staat. Ze hebben het liefste dat je helemaal geen apparaten meeneemt. Ik moest ook ruim van tevoren een vergunning voor mijn diabetessensor aanvragen, want dat ding opereert standaard met Bluetooth maar zit vast in mijn lichaam. Beetje moeilijk om hem op de boot te laten liggen… Ook mag je alleen wandelen over de paden van de rode lijn. Overal daarbuiten is de natuur kwetsbaar of wordt er wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Even opletten dus.

Het eerste wat je ziet als je aan land gaat is een afgeschreven locomotief. Ernaast liggen oude spoorrails. Een opmerkelijk aanzicht, maar eigenlijk logisch om hier tegen te komen. Want om de gewonnen steenkool naar de haven te vervoeren, werden er spoorlijntjes aangelegd. Ny-Ålesund kreeg daarmee de meest noordelijke spoorlijn ter wereld! Het dorpse karakter wordt bepaald door de houten gebouwen. Eenvoudig en sober ingericht, maar knus. De huizen in Ny-Ålesund werden speciaal gebouwd voor de mijnwerkers en hun gezinnen. Maar naast woningen waren er natuurlijk ook werkplaatsen, opslagruimtes en andere voorzieningen nodig voor de gemeenschap die op deze afgelegen plek ging wonen.

De mijnbouw bleef tot 1963 de belangrijkste economische bezigheid. Daarna kreeg Ny-Ålesund geleidelijk aan een nieuwe bestemming als centrum voor (internationaal) wetenschappelijk onderzoek. Je kunt er een gratis museum bezoeken, met enkele objecten en historische foto’s. Het is interessant om daarmee te beginnen, zodat je tijdlijn van het dorpje helder hebt voordat je de gebouwen bekijkt. En eerlijk gezegd was het ook fijn om even binnen te zijn, beschermd tegen de kou en de snijdende wind. Aan de randen van het dorp zijn de overblijfselen van de mijnactiviteiten inmiddels onderdeel geworden van het historische landschap. De installaties worden nu als erfgoed beschermd. Alle historische gebouwen worden daarentegen nog steeds gebruikt, maar meestal wel met een andere functie. Veel woonhuizen zijn bijvoorbeeld getransformeerd tot kantoren en onderzoeksruimten.

Vanaf de jaren ’30 wilde de Noorse regering Ny-Ålesund promoten onder toeristen. Het idee was dat het geld dat zij hier zouden uitgeven, de nederzetting direct ten goede zou komen. Ook zou het eenvoudiger worden om spullen vanuit Noorwegen mee te nemen. Want als er toch al een toeristisch schip heen zou gaan, maak je geen extra kosten. Om die reden opende in 1939 het charmante Nordpolhotellet (het “Noordpoolhotel”). Deze accommodatie paste goed bij de ontwikkelingen van de tijd, want de jaren ’30 vormden min of meer het hoogtepunt van het tijdperk van de poolexpedities (±1890-1950). In deze decennia werden vele wetenschappelijke ontdekkingstochten naar de Noordpool en Zuidpool uitgevoerd, mede mogelijk gemaakt door nieuwe technologieën zoals het luchtschip en het vliegtuig. Hier kwam ook een enorme internationale wedijver bij kijken, want net als in het koloniale tijdperk wilde ieder westers land de eerste, de snelste en de beste zijn. Het Nordpolhotellet is nog steeds een hotel, want je kunt er in principe overnachten. Maar je kunt geen kamer boeken, je moet je met een hele goede reden aanmelden bij de Gouverneur van Svalbard. 😉

Al struinende langs de gebouwtjes, kom je verschillende oude winkeltjes en faciliteiten zoals een schoolgebouw en een telegraafcentrale tegen. In het oog springt een blauw posthuisje, waar je de meest noordelijke postbus ter wereld vindt. En ja, die wordt echt gebruikt! Ik had mijn kaartjes al verstuurd vanuit Longyearbyen en die deden er slechts 8 dagen over om in Nederland bezorgd te worden. Dat hebben ze goed voor elkaar. 🙂

Het belangrijkste historische object van Ny-Ålesund is de luchtscheepsmast, een enorm metalen bouwwerk ten westen van de bebouwing. Deze constructie was van grote betekenis tijdens het tijdperk van de poolexpedities, want de mast werd gebruikt om luchtschepen aan de grond te bevestigen. In 1926 vertrok het luchtschip Norge vanuit Ny-Ålesund richting de Noordpool, als onderdeel van de expeditie van de Noorse Roald Amundsen, de Amerikaanse Lincoln Ellsworth en de Italiaanse Umberto Nobile. Op 11 mei vloog het luchtschip over de Noordpool om vervolgens door te vliegen naar Alaska. Daarmee was de expeditie een succes en werd Ny-Ålesund internationaal op de kaart gezet als uitvalsbasis voor poolonderzoek.

Twee jaar later keerde Nobile terug naar Ny-Ålesund, deze keer met het Italiaanse luchtschip Italia. Ook deze expeditie had de Noordpool als bestemming. Op 23 mei vertrok hij met zijn bemanning en even later bereikte het luchtschip het poolpunt. Tijdens de terugtocht ging het echter mis: op 25 mei 1928 stortte de Italia neer op het pakijs ten noorden van Svalbard. Een deel van de crew kwam op het ijs terecht, terwijl andere bemanningsleden met het luchtschip in het ijskoude water verdwenen. Er werd direct een internationale reddingsactie op poten gezet, waaraan maar liefst 23 vliegtuigen en 20 schepen uit 7 verschillende landen deelnamen. Ook Roald Amundsen ging op zoek naar de vermiste expeditieleden. Concurrenten of niet, de poolreizigers waren ook altijd nog collega’s. Zijn vliegtuig verdween echter op 18 juni boven zee en daarmee verdween ook Roald Amundsen spoorloos. Hij was dus zelf gesneuveld terwijl hij Nobile probeerde te redden. Uiteindelijk werden de overlevenden van de Italia gevonden en met de Sovjet-ijsbreker Krassin opgehaald. Maar niet iedereen werd gevonden en Amundsen zou nooit meer terugkeren. Het was een internationaal drama en een enorme nationale schok voor Noorwegen en Italië.

Deze geschiedenis is de reden dat Roald Amundsen in Noorwegen, op Svalbard en vooral in Ny-Ålesund geëerd wordt als nationale held. De woning van de directeur van de KBKC werd na het drama omgedoopt tot “Amundsenvilla” omdat Amundsen er in 1925 en 1926 enkele weken had verbleven. Op 11 mei 1976, precies 50 jaar nadat de Norge aan de succesvolle poolreis begon, werd er in het centrum van Ny-Ålesund een bronzen buste van Amundsen onthuld. De (moderne) Noorse ontdekkingsreiziger Helge Ingstad leidde de ceremonie.

Terwijl onze gids vertelde over de Norge en de Italia, verscheen er plotseling een poolvos achter de mast. De eerste die onze groep met eigen ogen kon spotten. Een minuut later hoorden we gespetter achter ons en dook er een zadelrob op in het water van de baai. De natuur is hier echt ongelofelijk.

Na het bezoek aan de luchtscheepsmast was het alweer tijd om terug te keren naar het schip. Voor mij persoonlijk was dit een hoogtepunt van de reis. Amundsen kende ik al, maar in Ny-Ålesund kwam hij voor mij echt “tot leven”. Hier woonde en werkte hij, hier gebeurde het allemaal. En dat nog geen eeuw geleden. Het straatbeeld is zo interessant om te zien. Een oud houten mijnwerkershuis staat makkelijk naast een hypermodern glazen laboratorium. Met de komst van een satellietstation in de jaren ’60 groeide het wetenschappelijke belang van de nederzetting nog meer. En ook dat merk je ter plaatse, want je komt er vriendelijke onderzoekers tegen die niet te beroerd zijn om iets over hun poolexperimenten te vertellen. Zij houden zich onder andere bezig met het klimaat, de atmosfeer, de lokale geologie, de gletsjers, de oceanen en het polaire ecosysteem. Ontzettend interessant allemaal. Op de terugweg in de zodiac volgde de kers op de taart: we zagen een groep bultruggen in de verte. Eentje maakte een diepe duik en liet daarbij zijn staartvin zien. Dat heb ik niet op camera; dat beeld staat voor altijd op mijn netvlies gebrand. 😀

Keizerlijke ingewanden onder de vloer van de Utrechtse Domkerk

In de Dom van Utrecht zijn twee bijzondere tegeltjes te vinden. Ze worden de “keizersteentjes” genoemd en ze liggen in het koor, dus in het verhoogde gedeelte aan de oostkant van de Domkerk. De tegels zijn voorzien van inscripties en ernaast zijn nog een keizerskroon en een adelaar te zien (symbolen van het Habsburgse Rijk). Eigenlijk gaat het niet om de steentjes zelf, maar om wat eronder begraven ligt. Ze markeren namelijk iets… opmerkelijks. Onder de tegels werden ooit het hart en de ingewanden van twee Duitse keizers begraven!

Het gaat om Keizer Koenraad II (die in 1039 in Utrecht overleed) en zijn achterkleinzoon Keizer Hendrik V (die er in 1125 stierf). Na hun overlijden zou het te lang duren om de lichamen naar hun thuisbasis Speyer in Duitsland te vervoeren, dus de lichamen werden gebalsemd en hun hart en ingewanden bleven in Utrecht achter. Dat klinkt misschien vreemd, maar in de middeleeuwen was het niet ongebruikelijk dat vorstelijke lichaamsdelen op verschillende plaatsen werden begraven. Enige tijd later zijn de gebalsemde lichamen alsnog in Dom van Speyer bijgezet, waar je vandaag de Kaisergruft (crypte) kunt bezoeken om hun tombes te zien.

De keizers van het Heilige Roomse Rijk hebben behoorlijk hun stempel gedrukt op de geschiedenis van Utrecht. Het was namelijk bovengenoemde Hendrik V die er in 1122 voor zorgde dat Utrecht stadsrechten kreeg. Daarover publiceerde ik al eerder het artikel over het middeleeuwse Paleis Lofen. Wie deze video gemist heeft, moet hem echt nog even bekijken. De strijd tussen Hendrik en de vervelende bisschop Godebald (en hoe de Utrechters daarop reageerden) wordt daarin samengevat. En wie vergeten is hoe het zat met de Deense runensteen op het Domplein, kan deze video over Vikingen in Utrecht nog een keer bekijken.

Wisten jullie dit al over de Domstad? 🙂

Een frisse duik bij Texas Bar

Bij deze excursie was er voor ieder wat wils: natuur, geschiedenis en een flinke dosis actie. Gretig als ik ben, pakte ik alles mee. 😉

Texas Bar is een bepaald gebouwtje, maar daarover later meer. Eerst iets over de omgeving. We zijn vandaag aan land gegaan in de Liefdefjord, in het noordwesten van Spitsbergen. Waarschijnlijk is de naam ontleend aan het 17e-eeuwse Nederlandse walvisvaardersschip Liefde, maar duidelijk bewijs hiervoor ontbreekt. Het landschap bestaat hier uit bergen, valleien, gletsjers en uitgestrekte stukken toendra. De omgeving ziet er op het eerste gezicht misschien kaal uit, maar als je even bukt of op je knieën gaat zitten, kun je toch veel interessante flora tegenkomen. Althans, in de periode tussen juni en september, want de zomer is overal op Svalbard de enige periode waarin vegetatie kan groeien en bloeien.

Maar bloeien doen ze, die poolbloemen! Duidelijk contrasterend in het mossige landschap, is bijvoorbeeld de stengelloze silene (Silene Acaulis). Om precies te zijn is dit een kussenvormige plant die dicht tegen de bodem groeit en kleine roze of paarse bloemen heeft. Prachtige felle kleuren! Ik heb mijn haar ooit in die magentakleur gehad, lol. Hier en daar zagen we ook nog de poolsilene (Silene Uralensis ssp. Arctica). Deze heeft hangende paarse bloemetjes die aan lampionnetjes doen denken. Ook groeit er overal harige rotsbreek (Micranthes Hieraciifolia); een klein plantje dat vaak tussen de rotsen groeit.

Om warm te blijven liepen we vervolgens omhoog, de heuvels in. De mooie uitzichten en bijbehorende fotosessies volgden elkaar op.

De wandeling voerde weer omlaag, richting de historische hut Texas Bar. Die naam is misleidend, want het was nooit een bar of iets dergelijks. Het gebouwtje is een “fangsthytte“, dus een schuilhut die gebruikt werd door pelsjagers. De hut werd in 1927 gebouwd door de Noorse jagers Hilmar Nøis en (diens oom) Martin Pettersen Nøis, waarvan die eerste uiteindelijk het meest bekend is geworden.

Hilmar Nøis werd in 1891 geboren op Andøya (Noord-Noorwegen) en in 1909 overwinterde hij voor het eerst op Svalbard. In de daaropvolgende decennia bleef hij “plakken” in het Noordpoolgebied, want hij voltooide maar liefst 38 overwinteringsseizoenen in het hoge noorden, waarvan 35 als pelsjager op Svalbard! Daarnaast werkte hij een seizoen in de mijnbouw en nam hij deel aan twee reddingsoperaties om andere mijnwerkers te helpen.

De naam Texas Bar doet denken aan het Wilde Westen. En eigenlijk doet deze eenvoudige hut in dit barre landschap dat ook wel een beetje. Zeker als je naar binnen gaat en stuit op de collectie sterke drank die zich daar door de jaren heen heeft opgestapeld. Verder zag ik nog lucifers, kogels, oud papier, kaarsen en gereedschap op de planken liggen. Aan de muur hing een krant uit januari 1988, wat heerlijk!

Voor de jagers die op Spitsbergen of Svalbard opereerden, waren zulke hutten vooral praktisch. Ze konden er tijdens hun tochten in schuilen (voor ijsberen of sneeuwstormen) en overnachten. Uiteraard kon je er ook wat voorraden en hulpmiddelen opslaan. Verspreid over Svalbard stond in de vorige eeuw nog een aanzienlijk aantal van deze hutten, gebouwd door jagers uit diverse landen. Af en toe ontstond er ruzie over het eigendoms- of gebruiksrecht, maar over het algemeen vormden ze voor de jagers een betrouwbaar netwerk van schuilplaatsen en duidelijke bestemmingen van vaartochten, skitochten of wandeltochten. Reken maar dat die drank er aan het einde van zo’n tocht wel in ging…

Daarbij moet ik ook zeggen dat wij hier in de zomer kwamen. Dus wanneer de zon niet ondergaat, de toendra groen is en het landschap volstaat met bloemen. Voor de familie Nøis en andere overwinteraars was deze omgeving een heel andere wereld van maandenlange duisternis, eindeloze sneeuw en temperaturen ver onder het vriespunt. De jagers die hun brood verdienden op Svalbard zullen zich ongetwijfeld ook vermaakt hebben met spelletjes en hobbyisme, maar ze waagden zich niet aan onze laatste activiteit van de dag…

De beruchte polar plunge! Oftewel, een frisse (ijskoude) duik in het water van de Arctische Oceaan. Ik heb een paar keer meegedaan aan de Nieuwjaarsduik op het strand, maar dit was veel heftiger. Zoals de wind in Nederland meestal de grootste uitdaging vormt als je eenmaal nat bent, was dat hier niet anders. Het was zo koud dat het pijn deed, maar tegelijkertijd was het spannend en zelfs gezellig om te doen.

Ons bezoek aan Texas Bar zal me voor altijd bijblijven, want het was wederom een geweldig mooie en interessante dagtocht, op een belangrijke historische plek. 😀

De fossielkust van Selmaneset

We zijn nogmaals getrakteerd op een prehistorisch cadeautje, namelijk een excursie op de landtong Selmaneset, waar je gesteentelagen kunt bekijken uit de overgangsperiode van het Perm naar het Trias. Met het blote oog kun je fossielen spotten van meer dan 250 miljoen jaar oud!

Deze bestaan voornamelijk uit kleine mariene fossielen uit het Perm. In het oog springen meteen de ammonieten vanwege de typische krulvormen. Talrijker aanwezig zijn de koraalfossielen en schelpdieren, zoals mosselachtige soorten. Deze zijn minder herkenbaar dan ammonieten of haaientanden, maar er zijn op Selmaneset wel heel veel verschillende soorten te vinden.

Verder kun je botfragmenten van gewervelde dieren tegenkomen, zoals vissen, brachiopoden en andere kleine zeedieren. En geologen hebben hier zelfs koralen gevonden in nóg oudere kalksteenlagen, namelijk uit het Laat-Carboon en Vroeg-Perm. Deze zijn dan minstens 300 miljoen jaar oud!

Al deze fossielen bewijzen dat Selmaneset vroeger deel uitmaakte van een ondiepe zee. Maar vergeet daarbij niet dat Svalbard vandaag veel noordelijker ligt; dat legde ik al eerder uit in het artikel over dinosauruspootafdrukken op Spitsbergen.

Ik heb enorm genoten van deze excursie, omdat de fossielen het beste zichtbaar waren in een klif waar we met enige moeite doorheen klommen en klauterden. We stonden letterlijk tot onze knieën in de geschiedenis. Eenmaal op de terugweg naar het schip, doorkruisten we een stuk toendra waar we nog enkele Svalbardrendieren zagen grazen. De conclusie blijft elke keer dat dit een enorm indrukwekkend landschap is.

Bron: Forbes, C. L., Harland, W. B., & Hughes, N. F. (1958). Palaeontological evidence for the age of the Carboniferous and Permian rocks of central Vestspitsbergen. Geological Magazine, 95(6), 465–490.

GRWM!

Het is zomer, maar ik draag iedere dag mijn winterjas. Met laarzen, handschoenen en een muts. En in het Arctisch gebied is een bovenste laag waterproof ook nog wettelijk verplicht. Hoe ik me voorbereid op onze tochten aan land in Svalbard, laat ik je zien in een korte video, die nu op YouTube staat. GRWM! 😀

Dinosauriërs in het Noordpoolgebied?

Zeker! En hun pootafdrukken bewijzen het. Momenteel vaar ik met een expeditieschip om Svalbard heen. We gaan elke dag aan land om te genieten van het landschap, de dieren, de geschiedenis en de cultuur van het Arctisch gebied. Vandaag landden we bij Boltodden, waar pootafdrukken van dinosauriërs liggen.

Boltodden ligt in Kvalvågen, aan de oostkust van Spitsbergen; één van de eilanden van Svalbard. Vandaag ligt het op 77° noorderbreedte, maar de paleobreedte is vastgesteld tussen de 63 en 66° noorderbreedte (oftewel: de ligging van deze plek tijdens het Vroege Krijt). Svalbard lag toen in zijn geheel aan de noordwestelijke rand van de Euraziatische Plaat. En ja, daar kwamen dus dinosauriërs voor.

In 1976 werden er twee pootafdrukken ontdekt. De wetenschappers concludeerden destijds dat de afdrukken bij middelgrote, theropode dinos hoorden vanwege de duidelijke klauw-achtige vormen. Theropode dinosauriërs zijn namelijk soorten die op twee achterpoten liepen, scherpe tanden en (vaak) grote klauwen hadden. Denk bijvoorbeeld aan de Tyrannosaurus Rex en de Velociraptor.

Nieuw onderzoek in 2012 en in 2014 weerlegde dat echter. Er werden moderne morfologische analyses uitgevoerd, waardoor we nu weten dat de afdrukken breed zijn (niet lang), stompe tenen en ronde middenvoetzolen hebben. Ook werden de conserveringskenmerken goed bestudeerd en zag men dat afdrukken van eventuele voorpoten afwezig waren. Als laatste werd er nog sedimentologisch onderzoek uitgevoerd; dus er werd achterhaald hoe en wanneer de verschillende gesteentelagen van het gebied zijn afgezet en ontstaan.

Met dit nieuwe bewijs werd vastgesteld dat de voetafdrukken afkomstig zijn van ornithopode dinosauriërs. Dat zijn soorten die planten aten, een snavelachtige bek en sterke kiezen hadden en meestal op twee poten liepen (hoewel sommige grotere soorten ook op vier poten konden lopen). Voorbeelden zijn de Iguanodon, de Hypsilophodon en de Parasaurolophus. Deze specifieke exemplaren op Svalbard komen van de Iguanodon.

De eerste tentoongestelde Iguanodon (1883). Foto uit het publieke domein.

De onderzoeksteams identificeerden bovendien minstens 34 nog niet eerder herkende afdrukken. Het aantal prehistorische pareltjes op Boltodden verschoof daarmee van 2 naar 36! Voor de wetenschap was dit erg belangrijk, omdat de ontdekking suggereert dat viervoetige ornithopoden in het noordelijke deel van Laurazië (het oercontinent waar het huidige Amerika, Europa en Azië vandaan komen) wijder verspreid waren dan fossiele vondsten doen vermoeden. Deze soorten konden zich ook veel beter aan hun omgeving aanpassen dan we voorheen dachten.

En dat wordt dan uitgerekend in het Noordpoolgebied ontdekt… Wat een bizarre toestand! Ik ben erg dankbaar dat ik mijn eigen handen in de pootafdrukken heb kunnen leggen. 🙂

Het zwaarste geld ter wereld

Stel je voor dat je naar de markt gaat om brood en groenten te kopen. In plaats van een portemonnee neem je een slee of een karretje met geld mee. Dat klinkt als een grap, maar in Zweden was dit in de 17e en 18e eeuw bittere ernst. Daar betaalden mensen namelijk met enorme koperen platen die zo zwaar konden zijn dat je ze nauwelijks kon meenemen. Dit geld staat bekend als Zweeds plaatgeld en behoort tot de meest opvallende betaalmiddelen die ooit in omloop zijn geweest.

In de 17e eeuw was Zweden een echte Europese grootmacht. We spreken zelfs van het Zweedse Rijk; een periode die in Scandinavië bekend staat als de “Stormaktstiden” (“Grootmacht-tijd“; 1611-1721). Op het hoogtepunt werden er ook gebieden die tegenwoordig onder Finland, Estland, Letland, Duitsland, Rusland, Noorwegen en Denemarken vallen door de Zweedse regering bestuurd. Daarmee beheerste Zweden dus een zeer groot deel van de Oostzee(kust).

Zweden zelf beschikte over rijke koperaders, met de beroemde mijn in Falun (provincie Dalarna) als belangrijkste leverancier. Terwijl zilver schaars was, was koper juist in overvloed aanwezig. Dat bracht de Zweedse overheid op het idee om vooral koper te gebruiken voor het Zweedse muntgeld.

In die tijd vertegenwoordigde een munt (ongeveer) de waarde van het metaal waarvan hij gemaakt was. Omdat koper minder waard was dan zilver, moest een koperen munt veel groter en zwaarder zijn om dezelfde monetaire waarde te vertegenwoordigen. En waarom zou je dan nog de moeite nemen om er een mooi rond exemplaar met een voor- en achterkant van te maken? Een snellere oplossing was om een rechthoekige koperen plaat van officiële stempels te voorzien; in alle vier de hoeken en eentje in het midden. Het plaatgeld was geboren.

De eerste plaatmunten verschenen in 1644 onder koningin Christina. De grootste exemplaren hadden een waarde van 10 “daler silvermynt” (zilveren daalders) en wogen bijna 20 kilo! Daarmee zijn het de zwaarste circulatiemunten die ooit zijn uitgegeven. Later verschenen er ook kleinere waarden, zoals een halve, één, twee, vier en acht daler. Maar zelfs die waren nog veel zwaarder dan een gewone munt. Met een plaatmunt van 8 daler silvermynt (van circa 14 kg) kon je in de tweede helft van de 17e eeuw meerdere varkens kopen, maar lang niet iedereen woonde in de buurt van de markt. Bovendien is het Zweedse landschap niet overal vlak of makkelijk begaanbaar.

Dus hoewel het plaatgeld als officieel betaalmiddel gold, bleek het in de praktijk toch niet handig om de zware plakkaten mee te sjouwen… Of onopvallend te bewaren. En dat is precies de reden dat Zweden een belangrijke rol ging spelen in de ontwikkeling van Europees papiergeld. Omstreeks 1660 begon Stockholms Banco bankbiljetten uit te geven die ingewisseld konden worden voor het zware koper. Het betalingsverkeer werd daardoor uiteraard veel efficiënter en makkelijker. Iets wat maar weinig mensen beseffen, is dat Zweden tot de eerste landen ter wereld behoorde die papiergeld op grote schaal introduceerden onder het volk.

In de loop van de 18e eeuw fluctueerde de waarde van koper nogal. Simpel gezegd verminderde de waarde geleidelijk. Redenen genoeg voor de Zweedse overheid om het plaatgeld in 1776 officieel uit de circulatie te halen. De platen koper werden nog iets langer gefabriceerd, te gebruiken als ballast voor schepen of voor gereedschappen. Maar de plaatmunten met stempels werden alleen nog als curiosa verhandeld.

Vandaag de dag is dit malle geld een zeer gewild verzamelobject binnen de numismatiek. Ik heb de plaatmunten op twee plekken met eigen ogen bewonderd: in het muntenkabinet van het Kasteel van Turku en in het Ostrobotnisch Museum in Vaasa. Twee plaatsen in Finland dus. In het laatstgenoemde museum leerde ik dat plaatgeld in West- en Zuidwest-Finland relatief vaak als muntschat gevonden wordt. Blijkbaar was het voor de Zweedstalige Finnen een manier om hun rijkdom op te slaan. Het Rijksmuseum in Amsterdam zou ook een exemplaar moeten hebben (volgens de website), maar of deze tentoongesteld wordt, weet ik niet.

Als je een plaatmunt ziet en bedenkt hoe zwaar ze zijn, is het moeilijk voor te stellen dat mensen er ooit hun dagelijkse boodschappen mee betaalden. Wel heel interessant en indrukwekkend om te zien! 😀