Mijn eerste Vappu

Niet een vape om te roken, maar Vappu om het voorjaar te vieren. Vappu is in Finland namelijk een nationale feestdag waarop meerdere tradities samenkomen. Dit jaar spendeerde ik twee dagen in Vantaa en Helsinki om het mee te maken.

Met Vappu mag de vlag uit!

Vappu valt ieder jaar op 1 mei. Op deze dag (en in de nacht ervoor) wordt er van alles gecombineerd dat ook in andere landen gevierd wordt, namelijk May Day, Beltane of Walpurgis(nacht), de afstudeerceremonie van scholieren en de Dag van de Arbeid. Enerzijds wordt het nieuwe seizoen feestelijk verwelkomd en anderzijds wordt er stilgestaan bij de internationale arbeidersstrijd. En dan nog een toefje studentencultuur erbij. De wisseling van de seizoenen wordt in Fennoscandië al minstens sinds de middeleeuwen door gemeenschappen samen gevierd. Vappu als combinatie van feesten kreeg in de jaren ’50 haar huidige vorm.

Er gebeurt deze twee dagen dus van alles. Overal in het land worden evenementen georganiseerd, van braderieën tot aan muziekoptredens en van loterijen tot aan tradities die op de nationale televisie worden uitgezonden. In Helsinki vindt op 30 april het grootste ritueel plaats, namelijk het wassen en “aankleden” van het standbeeld Havis Amanda in de haven. De ceremonie staat bekend als “Mantan lakitus” (“het opzetten van de Manta-pet”). Manta is de bijnaam van het standbeeld, omdat zij een zeenimf voorstelt. Op de foto rechts staat ze nog zonder pet.

Aan het begin van de 20e eeuw claimden studentenverenigingen het beeld als hun eigen feestpunt. Ze gingen het beeld symbolisch wassen en versieren, wat langzaam uitgroeide tot een vaste traditie. Nu wordt er ieder jaar een witte studentenpet (de “ylioppilaslakki“) van bovenaf op het beeld gezet door studenten die aan een hijskraan hangen. Deze pet staat in Finland symbool voor het behalen van het eindexamen en het begin van het volwassen leven. De Scandinavische landen kennen dit concept ook, maar onder andere namen. In Denemarken heet het de “studenterhue“, in Zweden de “studentmössa” en in Noorwegen de “studentlue“.

In Helsinki was het een drukte van jewelste bij het standbeeld. Om 18:00 uur precies wordt de pet op het beeld geplaatst, maar zo rond 17:00 uur stonden er al duizenden mensen klaar. Ik had een prima plekje gescoord en na een tijdje deed ik automatisch mee met het juichen en klappen. Het enthousiasme was behoorlijk aanstekelijk. 😀

Na afloop verspreidde de mensenmassa zich over de stad. In Helsinki is het maar twee keer per jaar zo druk, namelijk op Oudjaarsavond en met Vappu. Hoe later het wordt, hoe meer mensen er naar buiten komen. Dat was goed te zien op het Senaatintori; het centrale plein bij de kathedraal. Daar was aan het begin van de middag namelijk rustiger dan aan het begin van de avond.

Terwijl de meeste studenten nog een feestje opzochten, vertrok ik naar mijn appartement in Vantaa. Buiten de stad heerste de gewoonlijke Finse rust en orde, dus ik ging rustig naar bed. De volgende ochtend liep ik over de braderie van Tikkurila, die sterk deed denken aan de Nederlandse seizoensmarkten. Er werden zoetigheden, sieraden en huishoudartikelen verkocht. Er waren groentekraampjes en kermisattracties voor de kinderen. Bijzonder om te merken dat het concept in Finland hetzelfde inhoudt als in Nederland.

Ondertussen begon in Helsinki de volgende traditie, namelijk het zogeheten “vapputervehdykset” (het “Vappu-groeten”). Hierbij ontvangt de Finse president, momenteel Alexander Stubb, diverse groepen bij het Presidentieel Paleis. Het is een informeel moment waarop de president zijn zichtbaarheid en betrokkenheid kan tonen. En volgens mij wordt het ook inderdaad als zodanig door het volk gewaardeerd. Ik was er niet bij, maar heb het later teruggekeken op Instagram.

Eenmaal in de stad aangekomen, kwamen er uit iedere richting vrolijke geluiden. Er speelden veel bandjes en er waren doorlopend parades. Ik ben min of meer door de hele stad gelopen en op sommige plekken bleef ik wat langer staan om naar een optreden te kijken. De sfeer was echt ontzettend ontspannen en vrolijk. Dat het mooi weer was, droeg daar uiteraard ook aan bij. Op de foto’s hieronder kun je zien dat de Esplanadi (de twee hoofdstraten) afgezet waren en dat zich daar de meeste mensen verzameld hadden.

Ik kwam bij het Natuurhistorisch Museum en zag dat de bronzen eland voor het gebouw ook een ylioppilaslakki gekregen had, haha! Sterker nog, ook Manneken Pis in Brussel deed mee, met dank aan de Finse gemeenschap aldaar (via @finlandineu). Maar naast de studentenpet, is er nog een ander cruciaal onderdeel van de Vappu-outfit: de studentenoverall. In Finland hoort dit echt bij je studie, of je nu een feestbeest bent of een serieuze boekenwurm. De kleuren van de haalarit horen bij bepaalde studierichtingen, dus je overall verraadt meteen welke opleiding je volgt. Het is de bedoeling om hem tijdens je studententijd te versieren met patches van evenementen en verenigingen. Een overall is dus al gauw een heel persoonlijk kledingstuk.

Ik deed nog een laatste rondje door het Museumkwartier en langs het Lasipalatsi en pakte daar nog een optreden mee naast het standbeeld van oud-president Kyösti Kallio. Natúúrlijk had ook hij voor de gelegenheid een petje gekregen.

Verder horen er ook typische gerechten en drankjes bij Vappu, waarvan ik ook iets heb kunnen proeven. Ten eerste heb je de welbekende munkki (donuts). Ze zijn naturel of gevuld met karamel/jam. In de ochtend probeerde ik er eentje in Tikkurila en ’s avonds verhuisde ik naar een hotel, waar ze toevallig ook weer stonden. Daar werd ook sima geserveerd; een gefermenteerde citroen- en honingdrank. De naam sima is een archaïsch woord voor “honing”, zodanig door Elias Lönnrot beschreven in de Kalevala. Ik had geen idee wat het was, dus de eerste slok van het bitterzoete spul was nogal een verrassing.

Door de hele stad stonden kraampjes met snoep. De borden met METRILAKUT trokken steeds mijn aandacht… en toen kon ik de verleiding niet meer weerstaan. Ik heb een zakje met 4 metrilakutten meegenomen, voor onderweg. En eigenlijk ook gewoon omdat ik erom moest lachen. Er staat metri-lakut, niet metrila-kut. Het betekent niets meer of minder dan “drop per meter”, want het gaat hier om snoepslierten van ongeveer een meter. Maar zeg me alsjeblieft dat ik niet de enige ben die moet lachen om die naam!

Dan heb je ook nog tippaleipä, wat een knapperig gebakje is in de vorm van een gefrituurd vogelnestje. De fancy Vappu-gangers drinken daar champagne bij, maar dat heb ik allebei niet geprobeerd. Ach, er is altijd een volgende keer.

Die avond ging ik moe, maar voldaan naar bed. Ik vond de evenementen netjes georganiseerd en de sfeer was echt gezellig en gemoedelijk. Het is zo gaaf dat iedereen meedoet met de tradities, zoals je direct ziet aan het aantal studentenpetten in de stad. Ook alumni doen eraan mee. De bejaarden onder hen hebben hun pet minstens 50 jaar geleden verdiend, dus het is echt een feest voor jong en oud.

Wie weet ben ik er volgend jaar weer bij!

Appetijtelijk kijken in het LAM

Afgelopen weekend bezochten mijn moeder en ik het LAM in Lisse. We waren er allebei nog nooit eerder geweest en ik was erg benieuwd naar een specifiek doek waarover ik in het Museumtijdschrift gelezen had: een portret met… kaas.

Op dit moment loopt namelijk de tentoonstelling “Lekker portret”, boordevol eetportretten. Dat zijn kunstwerken waarin voedsel als gezicht of karakter wordt verbeeld. Op de bovenste verdieping loop je als bezoeker zodoende langs kunstwerken waarin je een glimlach kan ontdekken, of juist een sip gezichtje. Het zien van gezichten in dingen die eigenlijk geen gezicht zijn, noem je pareidolie. Het eerdergenoemde doek met de plak kaas vond ik daarvan het beste voorbeeld. Het schilderij is van Robert Roest en heet “Casus I”. Ik werd er zelf erg geval vrolijk van. 😀

Op de tweede en eerste verdieping (in het LAM loop je van boven naar beneden) zijn nog meer werken te zien die met smaak, voedsel, eetcultuur of walging te maken hebben. Het LAM staat dan ook bekend om moderne kunst rondom eten, drinken en consumeren. De foto’s hierboven en hieronder tonen slechts een greep daarvan. Het ene werk is nog absurder dan het andere, zoals “Jan Patat” van Sietske Zandbergen. Een ongemakkelijk figuur, waar je dan toch even naast wil gaan zitten. Een enkel werk vond ik ronduit smerig, zoals de kauwgomballen van Kira Fröse. Goed, het materiaal was keramiek, maar de associatie met uitgekauwde kauwgomproppen maakte dat ik er geen foto van gemaakt heb. Andere schilderijen waren gelukkig stukken frisser, zoals “Iceberg Lettuce” van Tjalf Sparnaay. Daar kreeg je bijna trek van.

Indrukwekkend is de installatie van Itamar Gilboa, die een jaar lang bijhield wat hij at en dronk en het eindresultaat tot uiting brengt in een werk met 8000 porseleinen voedselproducten. De titel is “Self Portrait – What I Ate in a Year”. Dit is misschien wel het bekendste werk dat het museum heeft.

Het laatste grote driedimensionale werk waar je langsloopt, is “Bad Grapes” van Kathleen Ryan. Deze druiven van edelstenen en kralen trekken meteen de aandacht. De afzonderlijke steentjes glinsteren je tegemoet. Ik, als ekster die van edelstenen houdt, kan hier echt uren naar kijken. Zo mooi. En alle losse delen maken een herkenbaar geheel. Dit zijn de enige rotte druiven die je in je huis zou willen hebben!

En nog een eervolle vermelding voor een foto waar wij hard om moesten lachen, van een druiventakje op een stukje keukenpapier. Als mijn moeder druiven eet, legt ze ook altijd een klein takje op een stukje keukenpapier na het wassen van de druifjes. Dan eet ze het trosje uit de hand, met het keukenpapiertje eronder tegen het druppen. Ze had het thuis direct nagemaakt, hahaha. Kan ze dit werk nu verkopen? 🙂

Of de getoonde werken nu wel of niet kunstwaardig zijn, is natuurlijk een kwestie van perspectief en smaak. Wij hebben in ieder geval een gezellige tijd gehad in het museum en deden na afloop ook nog even een rondje door de tuinen van Kasteel Keukenhof, dat er direct naast ligt. Het LAM is goed te bereiken en er is gratis parkeergelegenheid. Bedenk van tevoren wel even of je het LAM gaat (wilt) bezoeken als de Keukenhof ook open is. Dit veroorzaakt namelijk een behoorlijke file rondom het terrein. Daar hadden wij niet over nagedacht en zo waren we ineens een half uur langer onderweg. Afijn, het was niet onoverkomelijk, maar wel iets om rekening mee te houden. In het museum zelf was het weer rustig en overzichtelijk. 🙂

Chicorei als koffiesurrogaat

Wat moet je als koffieleut doen als koffiebonen schaars of moeilijk te verkrijgen zijn? Tegenwoordig zijn er veel alternatieven om dan toch aan je dagelijkse dosis cafeïne te komen, zoals energiedrankjes. Maar vroeger was dat lastiger. In tijden van schaarste en oorlog bedachten mensen vindingrijke oplossingen. Eén van de bekendste alternatieven waarmee “koffie” gemaakt werd, was chicorei.

Cichorium Intybus
Cichorium Pumilum

Chicorei wordt ook wel gespeld als cichorei, maar beide woorden verwijzen naar de plant Cichorium Intybus. Het is een plant die oorspronkelijk uit het Zuidwesten van Azië en uit Zuidoost-Europa komt, maar met de eeuwen op veel meer plekken begon te groeien. De wilde versie van chicorei groeit van nature in graslanden, maar doet het ook goed in bermen. Zo kan de plant dus ook makkelijk groeien in het gematigde Nederland.

Deze plant wordt al eeuwenlang door de mens gebruikt. De Romeinen gebruikten het loof als groente, maar gooiden de wortels weg. Zonde, weten we nu, want vanwege de bittere smaak van de wortel kun je chicorei dus ook gebruiken als surrogaat (vervanger) voor koffie. Deze toepassing werd waarschijnlijk ontdekt aan het einde van de 18e eeuw. De wortel van de chicoreiplant wordt dan gedroogd, geroosterd en gemalen. Zo ontstaat er een donkerbruine drank die enigszins smaakt als koffie, hoewel de smaak niet zo ‘rijk’ of ‘robuust’ is als van echte koffie.

Door de lage productiekosten en het relatief eenvoudige kweekproces, werd chicorei al snel een populair alternatief voor het luxe cafémomentje van de gegoede burgerij. Vervolgens duurde het ook niet lang voordat chicorei in de bakkies pleur van de minder rijke mensen terechtkwam. Een schaarste aan koffiebonen vindt, niet geheel verrassend, vaak plaats in oorlogstijd. We weten bijvoorbeeld dat chicoreikoffie gretig gedronken werd tijdens de Napoleontische Oorlogen, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Zo bood dit plantje in moeilijke tijden (een bakkie) troost aan alle lagen van de bevolking.

Goed, maar wat is dan de link met Dalfsen? Die is vandaag niet zo makkelijk meer uit het straatbeeld af te leiden, maar het zitbankje aan de Raadhuisstraat (met prachtig uitzicht over de Vecht) geeft alvast een kleurrijke hint. Dit bankje toont namelijk een impressie van de chicoreifabriek die in de tweede helft van de 19e eeuw in Dalfsen gevestigd werd, omlijst door chicoreibloemetjes. Het staat bewust naast de Blauwe Bogen Brug, omdat je daardoor uitkijkt over de uiterwaarden waar deze fabriek ooit stond. Met andere woorden, als je op het bankje zit, “kijk” je naar de oude fabriek.

Berend Hendrik Egberts was degene die de verwerking van chicorei naar Dalfsen bracht. In januari 1857 begon hij met de fabricatie in een pand aan de Zwolscheweg (de huidige Ruitenborghstraat); een ruimte die waarschijnlijk onderdeel van de toenmalige weverij was. Aanvankelijk werd de chicorei -enigszins primitief- gemalen door middel van een rosmolen. Er is niet veel bekend over de eerste jaren van de chicoreiproductie in Dalfsen, maar een nota uit 1858 vertelt ons wel dat er in dat jaar 4825,5 Engelse ponden cichorei voor een prijs van ƒ484,75 aan diverse afnemers in Overijssel en Gelderland geleverd werd.

Even later ging Egberts op zoek naar een ander pand, wellicht omdat het bedrijfje uit zijn voegen barstte of misschien omdat de locatie hem niet meer beviel. Omdat het efficiënt was om de chicorei over het water te vervoeren, zocht hij zijn nieuwe stekje langs de Vecht.

De Vecht bij Dalfsen, in de verte Kasteel Rechteren

Er is een brief van 13 juli 1863 bewaard gebleven waarin Egberts aan de gemeenteraad vraagt of hij een echte chicoreifabriek mag bouwen op een stuk land langs de rivier, zodat de fabriek door stoomkracht gedreven kon worden. De Gedeputeerde Staten gingen spoedig akkoord met zijn verzoek, onder de voorwaarden dat de fabriek binnen een jaar in werking moest zijn en dat het stoomtuig (periodiek) gekeurd moest worden.

Zo gezegd, zo gedaan en in april 1864 kocht Egberts het stukje buitendijks land waar hij zijn oog al op had laten vallen. Sterker nog, op het moment van de aankoop had Egberts zijn fabriek hier vermoedelijk al gebouwd, wat blijkt uit de “eerste steen” van de fabriek, waarop de frase “15-07-1860 door J.E.B. Egberts” zichtbaar is. Deze steen moet destijds door de jonge zoon van Egberts aan het bouwwerk toegevoegd zijn, zoals dat wel vaker gebeurt bij familiebedrijven. Dat de officiële vergunningen achterbleven bij de daadwerkelijke bouw van de fabriek, kwam vroeger ook wel vaker voor. Zoiets is door de bureaucratie van vandaag onmogelijk geworden. 😉

Buitendijks land bij Dalfsen
Uiterwaarden van de Vecht

In de decennia daarna werd de fabriek nog uitgebreid, weer verkleind en weer uitgebreid onder toezicht en beheer van verschillende directeuren en partners. Concurrentie in de vorm van thee en koffiestroop bracht moeilijkheden. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog leek het alsof de Nederlandse chicoreiproductie weer zou opleven, maar helaas verboden de Duitsers de vrije verkoop van chicorei (en tal van andere levensmiddelen) tijdens de bezetting.

Kort na de oorlog werd koffie echter steeds duurder en daardoor ontstond er wél tijdelijk meer vraag naar cichorei. Op dit moment waren er in Nederland nog drie cichoreifabrieken: in Ossendrecht, in Leeuwarden en in Dalfsen. De fabriek in Dalfsen was hiervan de grootste. De verwerkte cichorei werd uitgevoerd naar Amerika, Canada, Australië, India en diverse landen in Afrika. Toch werd de internationale concurrentie steeds heviger, vooral van Franse producenten. Frankrijk had haar zinnen namelijk gezet op het veroveren van de wereldmarkt en verkocht chicorei in haar eigen koloniën steevast onder de vraagprijs. De Nederlandse fabrieken konden daar niet tegenop.

Cichorei van De Beukelaar uit Ossendrecht
Cichorei van Egberts uit Dalfsen

Verrassend genoeg werd de meeste chicorei uit Dalfsen verkocht aan India. In samenwerking met de Indiase regering werden er plannen ontwikkeld om de cichoreicultuur ter plekke te starten, waarvoor de N.V. Egberts te Dalfsen de grondstoffen dan zou blijven leveren. En ja hoor, op 9 juli 1962 werd de Indiase cichoreifabriek met de naam “Egberts India Private Ltd” geopend. Wat veelbelovend begon, sloeg helaas binnen 3 jaar weer om. Oorlogen op het Aziatische continent, waaraan ook India ging meedoen, maakten zowel de lokale productie van chicorei als de import van Nederlandse chicorei onmogelijk. In combinatie met de nog altijd oprukkende Franse concurrenten, betekende dit het einde van de chicoreiproductie door het familiebedrijf van Egberts in Dalfsen. De voorraden werden overgenomen door het Franse Chicorée Leroux uit Orchies.

Eén troost is dat de naam Egberts nog op de verpakkingen staat van de latere doorstartfabriek in India. Op hun chicorei staat namelijk vermeld dat het product vervaardigd is “onder know-how van Egberts te Dalfsen (Holland)”. En zo leeft dit stukje historisch Dalfsen nog altijd voort op een ander continent. 🙂

Cichoreibereiding, prent door Louise Danse (1890)

Echte koffie wordt vandaag eigenlijk nog steeds beschouwd als een soort luxeproduct, dat in verschillende kwaliteiten (en bijbehorende prijsklassen) te koop is. In Nederland hebben we sinds de jaren ’50 geen koffieschaarste meer gehad, maar toch is het gebruik van chicorei nooit gestopt. Sterker nog, vandaag de dag wordt chicoreikoffie juist weer in toenemende mate als gezonde, prebiotische drank aangeprezen. Hebben jullie het weleens geprobeerd?

Bron:

  • Halfman, C.Z., ‘Verdwenen Industrieën’, in: Hove, J., ten, Pereboom, F. & Stalknecht, H.A. (red.), Uit de Geschiedenis van Dalfsen (Kampen: IJsselakademie 1989) 355─370.

Nerdland Festival 2025

Jaaa, eindelijk kan ik het bekendmaken: ik ben dit jaar spreker op het fameuze Nerdland Festival in Wachtebeke, België! 🙂

Dit is geen muziekfestival, maar een wetenschapsfestival. Het duurt 4 dagen en begint met een openingsavond. De locatie is het groene terrein van het Provinciaal Domein Puyenbroeck, waar vele festivaltenten en science hubs opgebouwd worden voor meer dan 250 shows en lezingen.

Aan mij de eer om de wetenschap GESCHIEDENIS te vertegenwoordigen met een lezing-quiz over de Lage Landen in de Romeinse Tijd. Ja, velen (vooral mannen) denken elke dag aan deze geschiedenis. Kennen jullie die trend nog, what is your Roman Empire? Met andere woorden, waar denk jij geregeld aan? En als dat inderdaad het Romeinse Rijk is, hoe veel weet je dan daarover? Tijdens mijn lezing kan iedereen zijn kennis over de Romeinen testen aan de hand van een aantal stellingen. En telkens volgt daarna de wetenschappelijke uitleg ervan.

Mijn focus talk zal plaatsvinden op zondagmiddag 8 juni in de tent The Voyager, met ruimte voor maar liefst 500 mensen.

Voor de details, klik hier. En voor kaarten voor het festival, klik hier.

Geloof mij, hier wil je bij zijn. Kijk alleen al naar de headliners… In Wachtebeke wordt heel veel kennis en talent verzameld. En dan hebben we het nog niet eens gehad over alle activiteiten en workshops. Ik heb er in ieder geval ontzettend veel zin in! 🙂

Melktert en biltong in het klaslokaal

Onlangs hebben we afscheid genomen van twee van onze Zuid-Afrikaanse leerlingen. Ik vond dat zij wel fatsoenlijke ‘kos’ verdienden na afloop van hun laatste lessen, om lekker met de hele klas te proeven. Dus hop, ik reed naar KuierKos in Bloemendaal voor wat snacks. Zoete mini melktertjies en hartige biltong gingen in mijn mandje. Verrassend genoeg was de biltong bij de leerlingen meer in trek dan de melktert! 🙂

Het is waarschijnlijk wel bekend dat de Republiek Zuid-Afrika een levendige koloniale geschiedenis heeft. Veel delen van het land werden in de 17e eeuw bestuurd door de VOC, voordat deze regio’s bezet werden door de Britten. Daarna transformeerde het territorium in een kolonie van de Bataafse Republiek, voordat het weer de Britse “Kaapkolonie” werd. Kort gezegd was het een kat-en-muisspelletje tussen de Nederlanders en de Britten, hoewel de situatie nog veel complexer was dan dat. Aan het begin van de 20e eeuw werd Zuid-Afrika zélf een kolonisator, namelijk van het buurland Namibië. Dit heeft tot aan de onafhankelijkheid van Namibië in 1990 geduurd.

Deze geschiedenis bracht diverse culturen naar/door/langs Zuid-Afrika, die allemaal een stempel op het huidige land gedrukt hebben. Zo ook op de keuken, dus de gerechten, de drank en de snacks. Twee typische Zuid-Afrikaanse lekkernijen vond ik geschikt om in de klas uit te delen, de bovengenoemde melktert en biltong. Maar wat is dat precies?

Melktert is een toetje dat door de Nederlandse kolonisten naar Zuid-Afrika gebracht is. De opvatting is dat het geïnspireerd is op de Nederlandse mattentaart, die op kwarktaart lijkt qua uiterlijk en smaak. Vandaag bestaat melktert uit een zoete taartkorst, gevuld met pudding en doorgaans bestrooid met kaneel.

Biltong is gedroogd en gekruid vlees, vaak gemaakt van rundvlees, hoewel andere opties ook populair zijn (bijvoorbeeld van kudu, varken, struisvogel of eland). Het vlees wordt in reepjes gesneden (“tongen”), klaargemaakt met azijn en/of specerijen en aan de lucht gedroogd vóór consumptie. Ook dit recept zou van de Nederlandse kolonisten afstammen, hoewel het drogen van vlees om het te bewaren al overal ter wereld gedaan werd en nooit aan één specifieke plaats gebonden is geweest.

We hebben gesmikkeld als smulpapen en de leerlingen vonden het leuk om over deze lekkernijen te leren. 🙂

Vullen maar, die rumtopf!

Gespot in de keuken van kennissen uit Limburg: een rumtopf. Zowel het gerecht als de aardewerken pot worden zo genoemd. Wat is dat dan?

Een rumtopf is letterlijk een “rumpot”. Het is een ouderwetse lekkernij van fruit dat is ingemaakt in suiker en rum. Het komt oorspronkelijk uit de Duitstalige gebieden en is daardoor bij ons vooral bekend in de provincie Limburg.

De Topf (Duits voor “kookpot”) moet een wijde hals hebben en moet qua grootte een inhoud hebben van een paar liter, anders verloopt het proces niet optimaal. Meestal wordt de pot gevuld met seizoensvruchten, bijvoorbeeld aardbeien aan het begin van de zomer, bessen in de zomer en vervolgens peren, pruimen en druiven in de nazomer. Aan 500 gram fruit voeg je ook 500 gram suiker toe (!). Als laatste giet je net zo veel rum in de pot totdat het gesuikerde fruit helemaal onder staat.

In de oogsttijd van iedere volgende soort fruit, herhaal je het proces. Dus na een paar weken voeg je de laag zomerbessen toe aan de reeds ingemaakte laag aardbeien. Weer een paar weken later komen de peren erbij, etcetera, etcetera. De suiker lost langzaam op in de rum. Belangrijk is om de gevulde rumtopf ook nog een paar weken (vij voorkeur maanden) te laten staan zodat het inmaakproces helemaal voltooid is en de smaken het beste naar voren komen. Een echte rumtopf maak je dus in een paar maanden!

Gecombineerd met slagroom, pudding, ijs, cake of pannenkoeken is rumtopf een machtig en nostalgisch dessert. Kinderen kunnen hun kerstdiner echter beter met een andere lekkernij afsluiten…

De werfkelders van Utrecht

Naast de huisnummers met de toevoeging “bis” (lees het hier), beschikt Utrecht over nóg een bijzonder stedelijk kenmerk. In de binnenstad zijn de grachten op veel plekken voorzien van zogeheten werfkelders.

Oorspronkelijk waren deze kelders bedoeld als opslagruimten en doorgangsruimten tussen de huizen en de grachten. Zo konden goederen worden getransporteerd over het water, wat voordelen had ten opzichte van het vervoer door de drukke en smerige straten van de binnenstad. De middeleeuwse stenen constructies en de bruggetjes uit de Gouden Eeuw (17e eeuw) brengen je vandaag direct terug naar vervlogen tijden. Leuk om te weten is dat de kelders vaak recht onder de straten liggen. De combinatie van bedrijvigheid in de binnenstad en de opslag en het goederentransport rondom de werfkelders, zorgde ervoor dat Utrecht in feite een stadshaven had.

Zelf een keer spieken? In sommige kelders zitten tegenwoordig winkels, restaurants of kantoren. Loop je langs de Drift, de Oudegracht, de Nieuwegracht, de Plompetorengracht of de Kromme Nieuwegracht, dan kun je op veel plekken met een trapje naar beneden om bij de kelderdeuren te komen. Respecteer daarbij wel de privacy van de bewoners aan de grachten. 🙂

Het Mosseloproer van Bruinisse (1773)

Dat de mosselvisserij ook heel spannend kan zijn, bewezen de vissers van Bruinisse in 1773.

Bruinisse is een Zeeuws vissersdorp aan de Oosterschelde en aan het Grevelingermeer. Al eeuwenlang wordt er in het bijzonder op mosselen gevist. In de 18e eeuw bloeide het dorp (tijdelijk) dankzij de mosselvisserij. De verse vangst werd aan de ‘kaaien’ (kades) verkocht. Dagelijks voeren er zo’n 100 schepen, vooral “hoogaars”, uit op de Oosterschelde. Maar de drukte van de uitvarende en aanmerende schippers zorgde voor chaos. De Staten van Zeeland (het provinciebestuur) grepen in en stelden in 1771 een ordonnantie op. Bepaald werd dat ieder schip dat de haven van Bruinisse bezocht, zich eerst moest melden bij de havenmeester. Er moest een bedrag van 2 stuivers betaald worden. Vervolgens moesten de schippers wachten tot ze aan de beurt waren om aan te meren en hun vangst te lossen.

De vissers uit Bru (Bruinisse) vonden het oneerlijk dat dit ook voor hen gold, in plaats van alleen voor buitenstaanders. Ook stierven de mosselen tijdens het wachten, waardoor ze onverkoopbaar werden. De vissers klaagden zo lang, dat de regels in 1772 een beetje versoepeld werden. Het was niet voldoende. De vissers uit Bru kwamen in juni 1773 in opstand. Zeker 30 kerels eisten dat de regels zouden verdwijnen. Ze trokken boos naar het huis van de baljuw; een soort politiecommissaris. Daar begonnen ze dingen te vernielen. De spanningen liepen zo hoog op, dat er soldaten vanuit Zierikzee gestuurd werden. Zij moesten de baljuw helpen om de vissers tot bedaren te brengen.

Aquarel door Maurice Segher (1900).

De rust werd hersteld, maar de Bruse vissers bleven hun zaak verdedigen. De ordonnantie paste niet bij de gebruiken van de mosselvisserij en schaadde de economie. De burgemeester van Bru erkende dat uiteindelijk. Daarna voelden de Staten van Zeeland zich ook gedwongen om daar rekening mee te houden. De ordonnantie werd niet ingetrokken, maar werd simpelweg niet meer nageleefd.

Wat vinden jullie, was de reactie van de mosselvissers terecht?