Kunst kijken in Kasteel Ruurlo (Museum MORE)

Onlangs maakte ik op weg naar een afspraak een artistieke tussenstop bij het museum MORE in Kasteel Ruurlo, waar bezoekers momenteel getrakteerd worden op indrukwekkende exhibities over jeugdigheid en vergankelijkheid.

Het kasteel zelf is meteen al een plaatje, zeker in het een nazomerzonnetje. Het kasteel wordt al in hoogmiddeleeuwse bronnen genoemd als bezit van graaf Reinhoud I van Gelre; dus van Gelderland. Tot de eerste bewoners behoorde de familie Van Roderlo, waaraan het kasteel waarschijnlijk zijn naam dankt. Kort na 1400 kwam het kasteel in handen van Jacob van Heeckeren en zijn familie zou het vervolgens meer dan 500 jaar beheren. Bouwtechnisch hebben vooral de 16e en 17e eeuw hun sporen nagelaten; de stijlperioden uit de vroegmoderne tijd bepalen daarmee grotendeels het uiterlijk van Kasteel Ruurlo. Binnen is er los van de tentoonstellingen veel pracht en praal te zien, zoals je dat van zo’n imposant gebouw (dat door de eeuwen heen herhaaldelijk gerestaureerd is) ook wel mag verwachten. Kijk dus vooral ook om je heen als je binnen bent, om de details van de vloeren, de plafonds, de gordijnen en de lambrisering te bewonderen.

De vaste collectie van Museum MORE draait om het werk van Carel Willink (1900-1983), één van de bekendste Nederlandse schilders van de 20e eeuw. Zijn kunstwerken zijn te herkennen aan een nauwkeurige weergave van de werkelijkheid (bijvoorbeeld van zuilengalerijen of landschappen), waaraan enkele vervreemdende, soms zelfs onheilspellende elementen zijn toegevoegd (zoals exotische dieren of natuurrampen). Misschien geen verrassing dat Willink zijn artistieke loopbaan begon als een zoekend kunstenaar. Hij experimenteerde met verschillende stromingen, waaronder het expressionisme en het dadaïsme. Uiteindelijk ontwikkelde hij een eigen stijl die wordt geduid als magisch realisme. Willink zelf sprak liever van “imaginair” of “fantastisch realisme”.

Ik vind het knap geschilderd. Het perspectief klopt en de landschappen zijn prachtig gedetailleerd. Hoewel die onverwachte elementen (het magische) als eerste de aandacht van de kijker trekken en ik de dode dieren persoonlijk ongemakkelijk vind, kun je het realisme van Willink niet anders dan waarderen en bewonderen. Kijk hieronder maar eens naar de boomblaadjes op “Landschap met vechtenden” (1937):

Tijdens mijn bezoek kwam ik op een gegeven moment in een “combinatieruimte”, waarin het werk van meerdere kunstenaars was samengevoegd. En succesvol, naar mijn mening. In deze zaal stond namelijk de bekende gouden jurk met dierenprints van modeontwerpster Fong-Leng (1937), maar hing ook het portret van Willinks tweede echtgenote Mathilde (1938-1977). Op dit werk, dat in 1975 door Willink geschilderd is, dráágt zij de jurk. En op de overige wanden hingen werken van Sam Drukker (1957) uit de tentoonstelling “De ouder wordende mens“. En die richten zich weer op een héél ander aspect van de werkelijkheid, namelijk het ouder wordende lichaam… en de sporen die het leven achterlaat. Zo was er in de zaal een connectie gelegd tussen schoonheid, jeugdigheid en luxe, met aan de andere kant rauwheid, realiteit en naaktheid. Ik weet niet of deze combinatie altijd zo is opgezet of dat het tijdelijk was, maar mooi gedaan!

Als je doorloopt komt de focus op Sam Drukker te liggen, waarvan er nog veel meer werken te zien waren in de overige zalen. Hij werd geboren in Goes, groeide op in Drenthe en studeerde aan de Minerva Academie in Groningen, waar hij onder meer les kreeg van schilder Matthijs Röling. In de portretten van Drukker draait het niet om een perfect, gestileerd of geïdealiseerd uiterlijk. Drukker toont zijn modellen juist zonder opsmuk. Rimpels, huidplooien en andere tekenen van ouderdom zijn zichtbaar aanwezig op de doeken; de schilderstijl is expressief en direct. De aandacht gaat volledig uit naar de persoon die is afgebeeld. In één van de zalen draait doorlopend een video van een interview met Drukker, waarin hij vertelt hoe hij “onderzoekt hoe schoonheid, kwetsbaarheid en levenservaring samenkomen in een lichaam dat met de tijd verandert”. En die insteek zie je ook terug in de kunstwerken, want de portretten getuigen van veel aandacht en respect voor de modellen. De naakten zijn smaakvol geschilderd, hoe oud de geportretteerden ook zijn. Sam Drukker laat met zijn werken zien dat ouderdom ook schoonheid behelst en dat is prettig om naar te kijken. Hij werkt ook graag op materialen met een eigen geschiedenis. Naast vers, nieuw canvas gebruikt hij bijvoorbeeld oude houten plankjes, stoelrugleuningen of zeildoeken. De sporen van het eerdere gebruik blijven zichtbaar en het materiaal voegt daarmee een extra laagje “no nonsense” toe.

Het verschil tussen deze werken van Sam Drukker en de kunst van Willink uit de vaste collectie is interessant. Schilderijen van Willink zijn glad en nauwkeurig. Hij beeldde zijn modellen af in elegante kleding en in gecontroleerde omgevingen. Drukker hanteert daarentegen een veel lossere schilderstijl en richt zich juist op de onopgesmukte, herkenbare menselijke figuur. De rauwheid daarvan vormt de context, want er is geen omgeving bijgeschilderd. Ik vond het plezierig om de twee kunstenaars met elkaar te vergelijken tijdens mijn bezoek en concludeerde dat ze de werkelijkheid allebei nauwkeurig observeren, maar uiteindelijk heel verschillende accenten leggen op wat er afgebeeld wordt. Een geslaagd dialoog dat volgt uit de opzet van de tentoonstelling. En als afsluiter loop je langs een goedgekozen gedicht van Leo Vroman, waarmee het geheel mooi samengevat wordt.

Wandelen langs de mythische Koortsboom van Heumen (Gelderland)

Aan de rand van Overasselt, in het bosrijke gebied van de Overasseltse en Hatertse Vennen, liggen de resten van een middeleeuwse kapel. Deze Walrickkapel was ooit een klein heiligdom; druk bezocht door mensen uit de wijde omgeving. Zij kwamen hier naartoe om te bidden en om hulp te vragen bij ziekte.

De kapel werd in de 14e eeuw (of 15e eeuw) gebouwd en was gewijd aan Sint Walrick, die ook wel Sint Valerius wordt genoemd. Over deze Heilige Walrick is weinig bekend, maar we weten wel dat hij vereerd werd als genezer; vooral bij koorts. Als je Sint Walrick aansprak in jouw gebeden, zou hij jou of jouw naasten genezing kunnen geven. Dat was in de middeleeuwen een gangbare praktijk; voor iedere situatie was er wel een gepaste heilige om aan te spreken.

Maar al lange tijd voor de bouw van de kapel, was dit gebied heilig voor de oorspronkelijke bewoners. Deze groep kennen we als de Hoemannen, een Germaanse stam die na de Romeinse Tijd in het gebied rondom Nijmegen leefde. Het is aannemelijk dat de naam van de gemeente Heumen van hen is afgeleid. De Hoemannen beschouwden bepaalde plekken in de natuur als sacraal en geneeskrachtig. Vooral bomen speelden een centrale rol in hun rituelen: ze geloofden dat ziektes door speciale handelingen bij de boom konden worden afgewend.

In de 7e en 8e eeuw kwam Willibrord, de beroemde missionaris uit Engeland, naar het gebied om het christendom te verspreiden. Willibrord en zijn volgelingen verweefden het christelijke geloof met de bestaande Germaanse tradities. Zo kwam het door hen dat de eerdergenoemde eikenboom verbonden werd aan Sint Walrick (en er eeuwen later dus ook een kapel naast gebouwd werd). Eigenlijk kreeg de genezende kracht van de boom door Willibrord een christelijke betekenis.

De legende gaat dat de leider van de Hoemannen wanhopig bij Willibrord aanklopte. Zijn dochter Heribertha had hoge koorts en niets leek te helpen. De leider vroeg wat hij moest doen om zijn dochter te genezen en Willibrord raadde hem aan om een lapje stof van haar jurk in de eik te hangen. Zo gezegd, zo gedaan. Maar of Heribertha inderdaad weer beter werd, weten we niet.

De eikenboom werd in ieder geval getransformeerd tot “Koortsboom” en de lokale bevolking nam het gebruik over. Wie ziek was of koorts had, knoopte een lapje stof aan de takken van de boom (of liet dat doen door een familielid). De koorts zou dan “in de boom blijven hangen”, terwijl de zieke weer beter werd. Mensen bleven deze handeling herhalen, generatie na generatie. Later werd het ritueel ook wel gecombineerd met gebeden bij de kapel of het maken van kruistekens.

Maar naarmate de eeuwen vorderden, bracht de ontwikkeling van de moderne geneeskunde ook andere oplossingen voor ziektes. Medicijnen en ziekenzorg werden voor steeds meer mensen toegankelijk. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) raakte de kapel zwaar beschadigd, omdat er in de omgeving veel gevochten werd. De kapel werd niet meer herbouwd en de plek raakte langzaam een beetje in verval.

Toch bleef de boom een plek van hoop en genezing, zelfs nadat de muren van de kapel vervielen tot een ruïne. Tot op de dag van vandaag hangen er nog lapjes aan de takken, stille getuigen van een praktijk die dus al eeuwenlang voortduurt. De Walrickkapel en de Koortsboom laten zien hoe pre-christelijke rituelen, het christelijke geloof en volksgebruiken kunnen samensmelten.

Er komen meerdere wandelroutes langs de Walrickkapel en de Koortsboom, waarvan ik zelf met veel plezier het “Familiepad Vennengebied” gelopen heb. Deze wandeling is 1,7 km lang en duurt ongeveer een uurtje (als je onderweg stopt om foto’s te maken). Het is een rolstoeltoegankelijke route, dwars door het natuurgebied de Overasseltse en Hatertse Vennen. Dat betekent dat je in de nazomer en herfst kunt genieten van het heidelandschap in allerlei tinten paars, rood, geel en oranje.

Er staan veel bankjes langs het pad en de markeringen zijn goed aangegeven. Vlakbij stopt er een streekbus en er zijn twee gratis parkeergelegenheden, waarvan eentje bij Restaurant St. Walrick. Koffie en lunch heb je dus ook binnen handbereik. 😉

Dit is bovendien een ideaal uitstapje bij wisselvallig weer, want je kunt op een paar plekken schuilen voor de regen (en anders ben je snel weer bij je auto of bij het OV). Wat mij betreft is het een heerlijke historische plek. Of je nu komt voor de vroegchristelijke legende of voor de kleurrijke natuur! 🙂

Bas Steman – Morgan, een liefde

Wat als een vervelende ervaring uit je eigen leven, lijkt te wijzen naar de ervaringen van een persoon uit het verleden? En wat als je tijdens een onderzoek naar deze persoon steeds meer historische details ontdekt die aansluiten bij wat je zélf hebt beleefd? Dat is het uitgangspunt van de roman Morgan, een liefde van Bas Steman. Hieronder vertel ik meer over dit ongewone boek, zonder de afloop te verraden.

Ik ken Steman vooral van Ridders van Gelre, de televisieserie van Omroep Gelderland waarin hij samen met René Arendsen op zoek ging naar de geschiedenis van Gelderland. De serie is nu gestopt, maar ik heb de afgelopen jaren echt genoten van hun humor en avontuurlijkheid. Daardoor werd ik nieuwsgierig naar de boeken van Steman; ook omdat zijn werk altijd goed ontvangen wordt.

Aanvankelijk lijkt het boek vooral te gaan over reïncarnatie, maar er gaat een diepe historische gelaagdheid achter schuil (die mij persoonlijk steeds dwong om verder te lezen). Het boek begint met een herinnering van Steman uit zijn eigen leven. Hij beschrijft hoe hij bij een parachutesprong tijdens een bedrijfsuitje een paniekaanval kreeg. Voor hem was deze reactie ongewoon. Onverklaarbaar. Tuurlijk, een parachutesprong is spannend. Maar Steman voelde zich alsof hij al eens eerder uit een vliegtuig gesprongen was… waarna het op de grond finaal misging. Dit was voor hem de reden om in regressietherapie te gaan. Dat is een vorm van therapie waarbij iemand onder begeleiding (dan wel hypnose) teruggaat naar herinneringen of ervaringen uit het verleden. Er wordt daarbij contact gemaakt met de onderbewuste leefwereld. Wanneer het lukt om heftige gebeurtenissen opnieuw te beleven, dan kunnen er vervolgens andere vormen van therapie ingezet worden om de ervaringen (beter) te verwerken.

Op die manier onderzoekt Steman waar zijn angst vandaan komt. Er komen bij hem beelden naar boven van een parachutist die in 1944 ingezet werd bij de Slag om Arnhem, dus aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ook verschijnt er een naam: Morgan. Steman gaat vervolgens op zoek naar de historische werkelijkheid achter deze ervaring. Hij ontdekt dat er inderdaad iemand heeft bestaan bij wie de ervaring past, namelijk de 26-jarige Britse parachutist Morgan Gethin Probert, die tijdens Operation Market Garden in september 1944 om het leven kwam.

Vanaf dat moment verandert het boek eigenlijk in een historische speurtocht. Steman duikt in de geschiedenis van deze Morgan, die uit Wales komt en van racefietsen houdt. Ook onderzoekt Steman de gebeurtenissen rondom Market Garden en de rol die de legereenheid van Morgan daarbij speelde. De oorlog is daardoor niet slechts op de achtergrond aanwezig, maar vormt juist de context van het verhaal. Je krijgt een goed en kleurrijk beeld van de jonge Welshman die zich bij het leger aansluit, wordt opgeleid tot parachutist en uiteindelijk in Nederland terechtkomt. De gebeurtenissen rond de Slag om Arnhem krijgen zo een “gezicht” en dat vind ik een sterke kant van het boek. De grote geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog wordt teruggebracht tot het leven van een paar personen. Morgan is geen anonieme soldaat uit een geschiedenisboek meer, maar iemand met een naam, een familie, een geliefde en een eigen verhaal. De beschreven liefdesscènes tussen Morgan en zijn vriendinnetje vind ik bijvoorbeeld heel aandoenlijk geschreven. Zo zijn er middenin alle oorlogsellende momenten waarop het verhaal heel teder wordt.

Steman blijft ook niet achter zijn bureau zitten om dat verhaal te reconstrueren. Hij gaat letterlijk op zoek naar Morgan. Eerst bezoekt hij de Airborne Begraafplaats in Oosterbeek, waar Morgan begraven ligt. Hij staat daar om te zien welke gevoelens dat teweegbrengt. Later reist hij naar Wales, naar de omgeving waar Morgan vandaan kwam en waar zijn geliefde Bertrys nog steeds herinneringen aan hem heeft. Daar ontmoet Steman allerlei mensen die Morgan persoonlijk hebben gekend en uiteindelijk raakt hij zelfs met hen bevriend. De familie van Morgan voelt namelijk eenzelfde soort familiariteit, want ook zij kunnen niet uitleggen waarom Steman voor hen als “een vriend van lang geleden” voelt. Hun gesprekken zijn liefdevol en vol verwondering. En volgens mij begint er dan een gezamenlijk rouwproces, dat voor hen allemaal een helende werking heeft.

De vraag of er werkelijk sprake is van reïncarnatie blijft openstaan. Steman zelf lijkt daar ook geen definitief antwoord op te willen geven. Sterker nog, hij was zelf aanvankelijk heel sceptisch en ging juist om die reden op onderzoek uit. En tijdens die zoektocht stuitte hij op de soldaat Morgan Probert, wiens leven vervolgens het doel vormt van een interessante reis. In het verhaal gaat Steman letterlijk op pad om zijn eigen ervaringen te toetsen aan die van Morgan. Zo neemt het boek de lezer mee door Europa én mee op tijdreis. En wat blijkt? De geschiedenis voelt soms verrassend vertrouwd.

Historisch correct?Geschikt en nuttig voor leerlingen?
Ja, in het boek zitten flashbacks naar historische gebeurtenissen.Ja. Het verhaal is niet per se geschreven voor scholieren, maar ik denk dat bovenbouwleerlingen het wel aankunnen. En vanwege de bijzondere insteek (reïncarnatie van een historisch persoon), brengt Steman de geschiedenis van Market Garden en Morgans leefomgeving in Wales echt naar de lezer toe. Dit boek haalt de geschiedenis een stukje dichterbij.

Terugblik: Lezing over de geschiedenis van Amsterdam aan de hand van archeologische vondsten

Afgelopen weekend vonden de twee inlooplezingen over de Amsterdamse geschiedenis plaats op het terrein van Zandsculpturen Garderen. Beide keren kwamen er na afloop nog veel vragen van het publiek, ontzettend leuk!

Ik vertelde over de ontwikkeling van Amsterdam aan de hand van archeologische vondsten. Wat vinden we nog terug in de grond van de verschillende tijdsperioden? Van alles! Van vishaken tot scherven, van rozenkransen tot specerijen. Sommige mensen kwamen nog even extra kijken, voelen en ruiken.

We kunnen wel concluderen dat het jubileum van Amsterdam ook buiten de stad op veel interesse kan rekenen. En in de zaal hing een grote replica van De Nachtwacht van Rembrandt, hoe toepasselijk?! Het was een mooie dag in Garderen en ik wil alle aanwezigen hartelijk bedanken voor het leuke contact. 🙂

Lezing: 750 jaar Amsterdam in… ZAND!

Ja hoor, de datum is bekend: op zaterdag 28 juni geef ik twee inlooplezingen over de geschiedenis van Amsterdam op het terrein van Zandsculpturen Garderen. Het idee is dat bezoekers kunnen aansluiten wanneer ze zelf willen. De tentoonstelling kan vooraf of juist aansluitend bezocht worden. Of doe eens gek: bezoek eerst de binnenhallen, sluit dan aan bij de lezing en rond af met de sculpturen die buiten op het terrein staan. Alles kan, niks moet! 🙂

Wie alvast online toegangskaartjes koopt, bespaart altijd €1 per persoon. En het wordt nog mooier: met de kortingscode HISTORISCH (met hoofdletters) gaat er bij online kaartjes kopen nog eens 15% van de toegangsprijs af. Klik daarvoor hier, vul alle gegevens in en vul de code in vóór het betalen van de kaartjes.

Zie hieronder het bericht waarmee de lezingen worden aangekondigd op hun website:

  • Adres: Oude Barnevelderweg 5, 3886 PT (Garderen, Gelderland)
  • Prijs van de lezing: Gratis bij een regulier entreebewijs.
  • Niet vergeten: met de code HISTORISCH gaat er 15% van de toegangsprijs af bij het kopen van online toegangskaartjes.

Even spieken bij de Overijsselse spiekers – Inclusief wandeltip

Wie ons op Instagram volgt, heeft al gemerkt dat een Overijsselse spieker géén frauderende student is, maar een vroegmodern type gebouw. Het gaat om een speciaal type huis, dat oorspronkelijk niet per se bedoeld was als woonhuis. Zelfs de benaming “spieker” verdween met de tijd, want vanaf ongeveer 1850 werd er simpelweg gesproken van “buitenhuis” of “buitenplaats”. Wat is dat dan, een spieker?

Een spieker was bedoeld als opslagplaats voor koren/graan. Het woord komt van het Latijnse spicarium; dus een plek waar spicae (korenaren) werden opgeslagen. Een brede betekenis van spieker is dan een graanschuur of een voorraadschuur, met maximaal twee extra verdiepingen. Spiekers waren in de middeleeuwen altijd in bezit van rijke grondbezitters, omdat zij hierin de tienden (belastingen) van hun pachters bewaarden. Omdat de pacht veelal betaald werd in natura en niet met geld, had je daarvoor een opslagschuur nodig in plaats van een portemonnee.

De grootgrondbezitters woonden lange tijd zelf in de nabijgelegen steden, zoals Zwolle en Deventer. Aanvankelijk was een spieker dus geen woonhuis. Het is een typisch rivierenfenomeen uit Overijssel, want de spiekers stonden langs de IJssel en langs de Vecht. In mindere mate kwamen ze ook voor langs de IJssel in Gelderland en in de noordelijke provincies. In de rest van het land bestonden er alternatieve constructies voor het opslaan van de pacht, bijvoorbeeld de “tiendenschuren” (die nooit als woonhuis gebruikt werden).

Voor zo ver we ontdekt hebben, stamt de oudste datering van een spieker uit de hoge middeleeuwen. Gevers en Mensema schrijven daarover:

“De oudst bekende vermelding van een spieker in Overijssel dateert van 1280. In dat jaar trad een zekere Johan van ‘t Spieker op als getuige in een conflict voor de richter en schepenen van Deventer over een schenking aan de abdij van Sint Mariënhorst bij Ter Hunnepe nabij Deventer. Met dit spieker zal ongetwijfeld de bergplaats bedoeld zijn die de Utrechtse bisschop -toentertijd de landsheer van Overijssel- bij zijn hof te Deventer had laten bouwen.”

Daaruit blijkt met zekerheid een connectie tussen politieke macht, landbezit en het voorkomen van spiekers. Documenten uit de 14e en 15e eeuw bevestigen dit ook nog eens. In 1494 wordt bijvoorbeeld geschreven over de opbouw van het verbrande “saetspyker”, waarmee het gebouw bij het (bisschoppelijk) Hof te Colmschate bedoeld werd.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werden de voorraden in de spiekers dikwijls ingezet als bevoorrading voor soldaten. Maar let op, het waren vooral de Spanjaarden die de Overijsselse oogst claimden of innamen. De lokale bevolking kon daar niets tegen beginnen, dergelijke praktijken waren namelijk onderdeel van het oorlogsrecht van die tijd (en dus tot op zekere hoogte toegestaan). Na de herovering  van de stad Oldenzaal in 1626-1628 veranderde dat, omdat het aantal Spaanse soldaten in Overijssel toen drastisch verminderde. Dat betekende meer rust en stabiliteit voor de plattelandsbevolking. Edelen keerden terug naar hun landhuizen en gingen hun spiekers zelf weer beheren.

Een eeuw later veranderde er weer iets. De Overijsselse spiekers werden steeds vaker omgebouwd tot buitenhuis. Hoe meer belastingen er met geld betaald werden, hoe minder functie de voorraadschuren kregen. Met de tijd lag er letterlijk steeds minder in opgeslagen en hadden de eigenaren dus “ruimte over” in het gebouw. In de Franse Tijd (1795-1815) verdwenen ook de traditionele politieke rechten die er altijd aan spiekers en havezaten verbonden waren geweest. Met andere woorden, het onderscheid met een normaal buitenhuis vervaagde omdat de spiekers minder gebruikt werden als opslagruimten en omdat er uiteindelijk ook geen privileges voor de eigenaren meer bij hoorden.

Spiekers hadden enkele algemene kenmerken. Er was bijvoorbeeld altijd een “bewaarder” op het terrein aanwezig ter bewaking van de opgeslagen goederen. Wanneer er dranken zoals bier en wijn bewaard werden, dan werd hiervoor meestal een kelder aangelegd. Gewassen zoals uien werden- niet geheel verrassend- juist aan plafondbalken te drogen gehangen. En om het geheel nog eens extra te beschermen tegen beesten en beestachtige schurken, werd er vaak een gracht gegraven. Dan werd de plaats ook wel aangeduid met “pol”, “berg”, of “belt”. Het meest efficiënt was om de spieker direct bij een boerenerf te bouwen, want dan hoefde men niet ver te reizen met de gewassen en de goederen. Spiekers werden gedecoreerd met torentjes, maar omdat we zeer weinig tekeningen hebben van de authentieke gebouwen is het moeilijk te zeggen of dit gangbaar was, of juist uitzonderlijk. In ieder geval was een spieker wel een zeer herkenbaar type gebouw.

We zoomen even in op Dalfsen. Terwijl er in de 18e eeuw nog volop spiekers gebruikt werden als buitenplaats, waarbij ook de meest prachtige landschapstuinen werden aangelegd, waren de meeste een eeuw later toch verdwenen. De tijden waren veranderd. De Industriële Revolutie van Nederland bood veel kansen op rijkdom, maar een faillissement lag ook altijd op de loer. De families die zich geen luxe buitenhuizen meer konden veroorloven (en hun spieker uit schaamte niet wilden verkopen aan een ander), lieten ze verloederen of slopen. Het kleine aantal spiekers dat overbleef, werd steeds vaker gebruikt als permanent woonhuis. Soms werd een compromis gevonden in het afbreken van de authentieke spieker en het toevoegen van efficiëntere nieuwbouw op dezelfde plek. Een voorbeeld hiervan is Huize Ankum, dat rond 1859 transformeerde tot de buitenplaats Hofwijk. Ook bleef er een handjevol spiekers over dat de functie van algemene opslagplaats kreeg, maar dan voor de omliggende boerenerven. Deze spiekers werden juist niet bewoond, waardoor degradatie eveneens op de loer lag.

Tijdens mijn verblijf in Dalfsen heb ik twee spiekers bezocht: één authentieke spieker (De Aalshorst) en één buitenplaats met spieker (De Horte). De Aalshorst in de buurtschap Millingen is één van de best bewaarde spiekers uit de 18e eeuw. Dit gebouw is vrij te bekijken vanaf de buitenkant, maar moeilijk te vinden en nog moeilijker met de auto te bereiken. Handiger is om langs het gebouw te fietsen of wandelen.

Omdat mijn navigatie het onverharde Aalshorsterpad niet kon vinden, heb ik op het kaartje hierboven de route vanaf de Heinoseweg aangegeven. Geloof mij, het is minder makkelijk te vinden dan het lijkt. Lange tijd lijkt het ook alsof je over privéterrein rijdt/loopt, dus houd hier rekening mee. Bij speciale gelegenheden, zoals Open Monumentendag, is het gebouw geopend en is dus ook het interieur te bekijken. Ik verwacht dat er dan wél aangegeven staat hoe je moet rijden. Alle andere dagen blijft de Aalshorst een beetje een pareltje verscholen in het groen. 😉

Bij het gebouw hoorde een uitgebreide tuin met een “grand canal”. Vandaag ziet het eruit als een gewone sloot, maar met een beetje fantasie zie je de rozenperken en de klassieke standbeelden eromheen staan. Achter het huis zijn nog altijd de oorspronkelijke moestuin en visvijver in gebruik.

Spieker de Horte maakte op mij meer indruk, omdat hier meer is opengesteld voor bezoekers. Er kronkelen twee mooie wandelingen (van 5,5 km en van 3,5 km) over het terrein, waarbij je langs dassenburchten, frisgroene weilanden, oeroude bossen en over tal van bruggetjes slentert. Beide wandelingen zijn zeer duidelijk aangegeven en voeren langs het spieker zelf. Huize de Horte is dus niet te missen. Het landgoed ligt in de buurtschap Emmen. Het beschikt over een gratis parkeerterrein voor bezoekers en is eenvoudig te bereiken vanaf de Kroesenallee.

Het terrein is al sinds mensenheugenis een landgoed, want in een document uit 1391 lezen we dat ene Dirk Bruggeman vier morgen “opper Horten” met een hofstede (te Emmen) schonk aan het Agnietenbergklooster bij Zwolle. De boerderij staat er minstens sinds 1520; want deze kreeg de streeknaam “De Horte”, vernoemd naar een opvallende bocht/horde in de waterloop van de Emmertochtsloot. Dit waterrijke gebied zorgt overigens voor de prachtige natuur rondom De Horte.

Geschat wordt dat het spieker op de Horte door de familie Thomassen-Theussink tussen 1649 en 1667 gebouwd is. Na een aantal eeuwen van wisselend eigendom, werd het landgoed uiteindelijk in 1974 door erfgenamen verkocht aan de tegenwoordige beheerder: de stichting Het Overijsselsch Landschap. De Horte bestond bij deze verkoop uit maar liefst 51 hectare grond. Op het terrein staan naast Huize de Horte ook nog een tuinmanswoning met koetshuis en stallen en een B&B (Het Witte Huis). De uitgebreide Franse (moes)tuin inclusief mammoetboom, de watergangetjes en de lange bomenlanen horen er ook allemaal bij.

Alle paden zijn goed onderhouden, de paaltjes met de route zijn niet te missen en op meerdere plekken staan bankjes om even te pauzeren. Wie durft, kan zelfs plaatsnemen op een bankje dat boven (!) het water hangt. En langs de route kom je overal dieren tegen: koeien, paarden, schapen en heel veel verschillende vogels. Extra leuk is het gebied in de lente, want ik zag ook kalfjes, veulens en lammetjes in de wei. Kortom, het was een genot om hier te wandelen. 🙂

Bron: Mensema, A.J., & Gevers, A.J., ‘Spiekers in Dalfsen’, in: Hove, J., ten, Pereboom, F. & Stalknecht, H.A. (red.), Uit de Geschiedenis van Dalfsen (Kampen: IJsselakademie 1989) 213─246.

Laatste kans bij Zandsculpturen Garderen

… Althans, de laatste kans om de tentoonstelling van 2022-2023 te bezoeken voordat het terrein sluit en het nieuwe thema opgebouwd wordt.

Wij voegden zelf natuurlijk ook de daad bij het woord om alle schitterende kunstwerken nog een laatste keer te bekijken. Er staan zandsculpturen, houtsculpturen en ijssculpturen. Dus zelfs in de laatste weken is er nog van alles te zien!


Alvast terugblikkend op dit seizoen, kan ik niet anders zeggen dan dat het thema Vaderlandse Geschiedenis een groot succes was. De complimenten stroomden bij ons binnen en veel mensen waren verheugd om Zandsculpturen Garderen “ontdekt” te hebben als uitje op de Veluwe. Hartelijk dank voor alle leuke reacties en… Op naar de volgende! 🙂

De Kathedraal van de Veluwe

In de tijd van het moderne imperialisme (toen Europese landen koloniën overzee exploiteerden), was het natuurlijk handig om snel met de tropische gebieden aan de andere kant van de wereld te kunnen communiceren. Maar het internet bestond nog niet, laat staan de sociale media. Toch werd de telecommunicatie al aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zodanig verbeterd, dat er ook lange-afstandsverbindingen aangelegd konden worden.

Voor Nederland had dat betrekking op o.a. Suriname en Nederlands-Indië (het huidige Indonesië). Op de Veluwe werd daarom een ultramodern zendpark gebouwd dat er ook nog eens esthetisch uitzag qua architectuur. Omdat de kolos bij Kootwijk ontstond, kwam het gebouw bekend te staan als “Radio Kootwijk”.

Bekijk de geschiedenisflits hieronder voor de historische ontwikkeling van deze “kathedraal van de Veluwe”.