Onlangs maakte ik op weg naar een afspraak een artistieke tussenstop bij het museum MORE in Kasteel Ruurlo, waar bezoekers momenteel getrakteerd worden op indrukwekkende exhibities over jeugdigheid en vergankelijkheid.

Het kasteel zelf is meteen al een plaatje, zeker in het een nazomerzonnetje. Het kasteel wordt al in hoogmiddeleeuwse bronnen genoemd als bezit van graaf Reinhoud I van Gelre; dus van Gelderland. Tot de eerste bewoners behoorde de familie Van Roderlo, waaraan het kasteel waarschijnlijk zijn naam dankt. Kort na 1400 kwam het kasteel in handen van Jacob van Heeckeren en zijn familie zou het vervolgens meer dan 500 jaar beheren. Bouwtechnisch hebben vooral de 16e en 17e eeuw hun sporen nagelaten; de stijlperioden uit de vroegmoderne tijd bepalen daarmee grotendeels het uiterlijk van Kasteel Ruurlo. Binnen is er los van de tentoonstellingen veel pracht en praal te zien, zoals je dat van zo’n imposant gebouw (dat door de eeuwen heen herhaaldelijk gerestaureerd is) ook wel mag verwachten. Kijk dus vooral ook om je heen als je binnen bent, om de details van de vloeren, de plafonds, de gordijnen en de lambrisering te bewonderen.




De vaste collectie van Museum MORE draait om het werk van Carel Willink (1900-1983), één van de bekendste Nederlandse schilders van de 20e eeuw. Zijn kunstwerken zijn te herkennen aan een nauwkeurige weergave van de werkelijkheid (bijvoorbeeld van zuilengalerijen of landschappen), waaraan enkele vervreemdende, soms zelfs onheilspellende elementen zijn toegevoegd (zoals exotische dieren of natuurrampen). Misschien geen verrassing dat Willink zijn artistieke loopbaan begon als een zoekend kunstenaar. Hij experimenteerde met verschillende stromingen, waaronder het expressionisme en het dadaïsme. Uiteindelijk ontwikkelde hij een eigen stijl die wordt geduid als magisch realisme. Willink zelf sprak liever van “imaginair” of “fantastisch realisme”.




Ik vind het knap geschilderd. Het perspectief klopt en de landschappen zijn prachtig gedetailleerd. Hoewel die onverwachte elementen (het magische) als eerste de aandacht van de kijker trekken en ik de dode dieren persoonlijk ongemakkelijk vind, kun je het realisme van Willink niet anders dan waarderen en bewonderen. Kijk hieronder maar eens naar de boomblaadjes op “Landschap met vechtenden” (1937):



Tijdens mijn bezoek kwam ik op een gegeven moment in een “combinatieruimte”, waarin het werk van meerdere kunstenaars was samengevoegd. En succesvol, naar mijn mening. In deze zaal stond namelijk de bekende gouden jurk met dierenprints van modeontwerpster Fong-Leng (1937), maar hing ook het portret van Willinks tweede echtgenote Mathilde (1938-1977). Op dit werk, dat in 1975 door Willink geschilderd is, dráágt zij de jurk. En op de overige wanden hingen werken van Sam Drukker (1957) uit de tentoonstelling “De ouder wordende mens“. En die richten zich weer op een héél ander aspect van de werkelijkheid, namelijk het ouder wordende lichaam… en de sporen die het leven achterlaat. Zo was er in de zaal een connectie gelegd tussen schoonheid, jeugdigheid en luxe, met aan de andere kant rauwheid, realiteit en naaktheid. Ik weet niet of deze combinatie altijd zo is opgezet of dat het tijdelijk was, maar mooi gedaan!






Als je doorloopt komt de focus op Sam Drukker te liggen, waarvan er nog veel meer werken te zien waren in de overige zalen. Hij werd geboren in Goes, groeide op in Drenthe en studeerde aan de Minerva Academie in Groningen, waar hij onder meer les kreeg van schilder Matthijs Röling. In de portretten van Drukker draait het niet om een perfect, gestileerd of geïdealiseerd uiterlijk. Drukker toont zijn modellen juist zonder opsmuk. Rimpels, huidplooien en andere tekenen van ouderdom zijn zichtbaar aanwezig op de doeken; de schilderstijl is expressief en direct. De aandacht gaat volledig uit naar de persoon die is afgebeeld. In één van de zalen draait doorlopend een video van een interview met Drukker, waarin hij vertelt hoe hij “onderzoekt hoe schoonheid, kwetsbaarheid en levenservaring samenkomen in een lichaam dat met de tijd verandert”. En die insteek zie je ook terug in de kunstwerken, want de portretten getuigen van veel aandacht en respect voor de modellen. De naakten zijn smaakvol geschilderd, hoe oud de geportretteerden ook zijn. Sam Drukker laat met zijn werken zien dat ouderdom ook schoonheid behelst en dat is prettig om naar te kijken. Hij werkt ook graag op materialen met een eigen geschiedenis. Naast vers, nieuw canvas gebruikt hij bijvoorbeeld oude houten plankjes, stoelrugleuningen of zeildoeken. De sporen van het eerdere gebruik blijven zichtbaar en het materiaal voegt daarmee een extra laagje “no nonsense” toe.




Het verschil tussen deze werken van Sam Drukker en de kunst van Willink uit de vaste collectie is interessant. Schilderijen van Willink zijn glad en nauwkeurig. Hij beeldde zijn modellen af in elegante kleding en in gecontroleerde omgevingen. Drukker hanteert daarentegen een veel lossere schilderstijl en richt zich juist op de onopgesmukte, herkenbare menselijke figuur. De rauwheid daarvan vormt de context, want er is geen omgeving bijgeschilderd. Ik vond het plezierig om de twee kunstenaars met elkaar te vergelijken tijdens mijn bezoek en concludeerde dat ze de werkelijkheid allebei nauwkeurig observeren, maar uiteindelijk heel verschillende accenten leggen op wat er afgebeeld wordt. Een geslaagd dialoog dat volgt uit de opzet van de tentoonstelling. En als afsluiter loop je langs een goedgekozen gedicht van Leo Vroman, waarmee het geheel mooi samengevat wordt.






































































































