Kunst kijken in Kasteel Ruurlo (Museum MORE)

Onlangs maakte ik op weg naar een afspraak een artistieke tussenstop bij het museum MORE in Kasteel Ruurlo, waar bezoekers momenteel getrakteerd worden op indrukwekkende exhibities over jeugdigheid en vergankelijkheid.

Het kasteel zelf is meteen al een plaatje, zeker in het een nazomerzonnetje. Het kasteel wordt al in hoogmiddeleeuwse bronnen genoemd als bezit van graaf Reinhoud I van Gelre; dus van Gelderland. Tot de eerste bewoners behoorde de familie Van Roderlo, waaraan het kasteel waarschijnlijk zijn naam dankt. Kort na 1400 kwam het kasteel in handen van Jacob van Heeckeren en zijn familie zou het vervolgens meer dan 500 jaar beheren. Bouwtechnisch hebben vooral de 16e en 17e eeuw hun sporen nagelaten; de stijlperioden uit de vroegmoderne tijd bepalen daarmee grotendeels het uiterlijk van Kasteel Ruurlo. Binnen is er los van de tentoonstellingen veel pracht en praal te zien, zoals je dat van zo’n imposant gebouw (dat door de eeuwen heen herhaaldelijk gerestaureerd is) ook wel mag verwachten. Kijk dus vooral ook om je heen als je binnen bent, om de details van de vloeren, de plafonds, de gordijnen en de lambrisering te bewonderen.

De vaste collectie van Museum MORE draait om het werk van Carel Willink (1900-1983), één van de bekendste Nederlandse schilders van de 20e eeuw. Zijn kunstwerken zijn te herkennen aan een nauwkeurige weergave van de werkelijkheid (bijvoorbeeld van zuilengalerijen of landschappen), waaraan enkele vervreemdende, soms zelfs onheilspellende elementen zijn toegevoegd (zoals exotische dieren of natuurrampen). Misschien geen verrassing dat Willink zijn artistieke loopbaan begon als een zoekend kunstenaar. Hij experimenteerde met verschillende stromingen, waaronder het expressionisme en het dadaïsme. Uiteindelijk ontwikkelde hij een eigen stijl die wordt geduid als magisch realisme. Willink zelf sprak liever van “imaginair” of “fantastisch realisme”.

Ik vind het knap geschilderd. Het perspectief klopt en de landschappen zijn prachtig gedetailleerd. Hoewel die onverwachte elementen (het magische) als eerste de aandacht van de kijker trekken en ik de dode dieren persoonlijk ongemakkelijk vind, kun je het realisme van Willink niet anders dan waarderen en bewonderen. Kijk hieronder maar eens naar de boomblaadjes op “Landschap met vechtenden” (1937):

Tijdens mijn bezoek kwam ik op een gegeven moment in een “combinatieruimte”, waarin het werk van meerdere kunstenaars was samengevoegd. En succesvol, naar mijn mening. In deze zaal stond namelijk de bekende gouden jurk met dierenprints van modeontwerpster Fong-Leng (1937), maar hing ook het portret van Willinks tweede echtgenote Mathilde (1938-1977). Op dit werk, dat in 1975 door Willink geschilderd is, dráágt zij de jurk. En op de overige wanden hingen werken van Sam Drukker (1957) uit de tentoonstelling “De ouder wordende mens“. En die richten zich weer op een héél ander aspect van de werkelijkheid, namelijk het ouder wordende lichaam… en de sporen die het leven achterlaat. Zo was er in de zaal een connectie gelegd tussen schoonheid, jeugdigheid en luxe, met aan de andere kant rauwheid, realiteit en naaktheid. Ik weet niet of deze combinatie altijd zo is opgezet of dat het tijdelijk was, maar mooi gedaan!

Als je doorloopt komt de focus op Sam Drukker te liggen, waarvan er nog veel meer werken te zien waren in de overige zalen. Hij werd geboren in Goes, groeide op in Drenthe en studeerde aan de Minerva Academie in Groningen, waar hij onder meer les kreeg van schilder Matthijs Röling. In de portretten van Drukker draait het niet om een perfect, gestileerd of geïdealiseerd uiterlijk. Drukker toont zijn modellen juist zonder opsmuk. Rimpels, huidplooien en andere tekenen van ouderdom zijn zichtbaar aanwezig op de doeken; de schilderstijl is expressief en direct. De aandacht gaat volledig uit naar de persoon die is afgebeeld. In één van de zalen draait doorlopend een video van een interview met Drukker, waarin hij vertelt hoe hij “onderzoekt hoe schoonheid, kwetsbaarheid en levenservaring samenkomen in een lichaam dat met de tijd verandert”. En die insteek zie je ook terug in de kunstwerken, want de portretten getuigen van veel aandacht en respect voor de modellen. De naakten zijn smaakvol geschilderd, hoe oud de geportretteerden ook zijn. Sam Drukker laat met zijn werken zien dat ouderdom ook schoonheid behelst en dat is prettig om naar te kijken. Hij werkt ook graag op materialen met een eigen geschiedenis. Naast vers, nieuw canvas gebruikt hij bijvoorbeeld oude houten plankjes, stoelrugleuningen of zeildoeken. De sporen van het eerdere gebruik blijven zichtbaar en het materiaal voegt daarmee een extra laagje “no nonsense” toe.

Het verschil tussen deze werken van Sam Drukker en de kunst van Willink uit de vaste collectie is interessant. Schilderijen van Willink zijn glad en nauwkeurig. Hij beeldde zijn modellen af in elegante kleding en in gecontroleerde omgevingen. Drukker hanteert daarentegen een veel lossere schilderstijl en richt zich juist op de onopgesmukte, herkenbare menselijke figuur. De rauwheid daarvan vormt de context, want er is geen omgeving bijgeschilderd. Ik vond het plezierig om de twee kunstenaars met elkaar te vergelijken tijdens mijn bezoek en concludeerde dat ze de werkelijkheid allebei nauwkeurig observeren, maar uiteindelijk heel verschillende accenten leggen op wat er afgebeeld wordt. Een geslaagd dialoog dat volgt uit de opzet van de tentoonstelling. En als afsluiter loop je langs een goedgekozen gedicht van Leo Vroman, waarmee het geheel mooi samengevat wordt.

Betoverende sneeuwlandschappen in Rijksmuseum Twenthe

Als je net zo’n (kunst)geschiedenisnerd bent als ik, dan moet je soms naar een bepaalde tentoonstelling. Je MOET het gewoon zien. Dat had ik met de overzichtstentoonstelling “Pekka Halonen – Een ode aan Finland” die momenteel te zien is in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Deze schilder wordt ook wel “de sneeuwschilder” genoemd; een volstrekt logische bijnaam voor iemand die de Finse landschappen zo liefdevol en gedetailleerd vastlegde. Lees hieronder wat de cultuurhistorische betekenis van zijn werken is… en verlies jezelf (net als ik) in de Finse natuur!

Hoe schilder je de stilte van een besneeuwd bos? Hoe vang je de laatste zonnestralen van een koude, winterse dag in een schilderij? Dat lijkt mij nog niet zo makkelijk, maar Pekka Halonen wist als geen ander hoe dat moest. Uiteindelijk kwam hij dan ook om zijn landschappen bekend te staan. In de tentoonstelling zijn maar liefst 94 werken te zien, aangevuld met persoonlijke spulletjes uit zijn atelierwoning. Wat is het verhaal van deze nationalistische schilder?

Pekka Halonen werd in 1865 geboren in Lapinlahti, in het oosten van Finland. Hij groeide op in een landelijke omgeving, met om hem heen “overal natuur”. Niet gek dus dat de uitgestrekte bossen, moerassige meren en typische tafereeltjes met berkenbomen later een belangrijke plaats zouden innemen in zijn schilderkunst. Halonen genoot een artistieke opleiding in Helsinki en vertrok daarna naar Parijs, wat destijds een belangrijk internationaal knooppunt van allerlei kunststromingen vormde. Zodoende maakte hij er kennis met nieuwe artistieke ontwikkelingen en ging hij vanaf 1890 enige tijd in de leer bij de Franse schilder Paul Gauguin.

Toch lag zijn toekomst niet in de hypermoderne Franse hoofdstad. Halonen keerde terug naar Finland, waar hij zijn eigen weg vond. Veel schilders raakten geobsedeerd door het steeds verder industrialiserende en moderniserende Europa, maar Halonen keerde juist terug naar dat landleven van zijn jeugd en die bijbehorende, ongerepte natuur. Hij schilderde bomen, rotsen, boerderijen en mensen die leefden in nauwe verbondenheid met hun omgeving. Simpele scenes, maar tegelijkertijd krachtige tijdsbeelden. We moeten namelijk niet vergeten dat de Finse identiteit aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw onder politieke druk stond. Ik schrijf hier vaker over, maar Finland maakte tot 1917 deel uit van het Russische Rijk als een autonoom groothertogdom. In deze periode droegen Finse kunst, Finse literatuur en Finse muziek sterk bij aan de ontwikkeling van een Fins nationaal bewustzijn. Kunstenaars zochten naar manieren om uitdrukking te geven aan wat Finland bijzonder maakte. Zo ook Pekka Halonen. Hij heeft destijds aangegeven dat zijn kunstwerken gezien mogen worden als odes aan Finland; vandaar ook de naam van de tentoonstelling.

Een belangrijke plek in zijn leven was het Tuusulameer, ten noorden van Helsinki. Aan de oever van dit meer liet hij zijn eigen atelierwoning bouwen, die hij Halosenniemi noemde. Het huis was door Halonen zelf ontworpen en bood hem de ruimte om ieder dag te wonen én te werken in de omgeving die hem zo inspireerde. Vanaf zijn deurdrempel kon hij de natuur namelijk door de seizoenen heen bekijken en bewonderen. Het veranderende licht en de eerste sneeuw kon hij zo langdurig observeren. Om de smeltende rijp van een takje te kunnen schilderen, moest je dat fenomeen volgens hem eerst goed begrijpen. Bovendien bood deze leefomgeving hem de mogelijkheid om uren achter elkaar in de buitenlucht te werken. Bij een regenbui of een storende koude wind kon hij immers ieder moment weer even naar binnen om zichzelf en zijn verfspullen veilig te stellen. En Pekka Halonen was niet de enige kunstenaar die zich in deze streek vestigde. Rond het Tuusulameer ontstond een echte kunstenaarsgemeenschap waarin ook de componist Jean Sibelius en de schilder Eero Järnefelt actief waren. Blijkbaar was het een inspirerende plek om elkaar te ontmoeten, ver genoeg verwijderd van de drukte van de stad. Ik heb me voorgenomen om het Tuusulameer de volgende keer dat ik in Helsinki ben te bezoeken, zodat ik de omgeving kan filmen en een nieuwe video kan maken over deze nationalistische kunstenaars. Nog even geduld dus. 😉

De persoonlijke voorwerpen in de tentoonstelling voegen wat mij betreft een emotionele dimensie toe aan de collectie schilderijen. Zo hing er een paar lange ski’s aan de muur en lag zijn kantele (een traditioneel Fins snaarinstrument) in een vitrinekast. Een stukje verderop kon je zijn paletten en kwasten bewonderen, die hij in een soort koker van hout bewaarde. Zo komt Halonen wel erg dichtbij… je ziet hem gewoon over het bevroren meer schuiven op die ski’s. Heerlijk om zo even te dagdromen. Ik heb weer een extreem lange tijd in het museum gespendeerd, haha.

Wat kunstcritici waarderen in het werk van Pekka Halonen, is zijn vermogen om zowel het beweeglijke landschap als het licht dat eroverheen valt te schilderen. Afhankelijk van het weer, het tijdstip en de stand van de zon verandert het landschap “in de echte wereld” voortdurend van kleur. Iedereen weet dat, maar Halonen kon die subtiele verschillen ook ontzettend kundig vastleggen op doek. Wie zijn kunst goed bekijkt, ontdekt ook dat sneeuw zelden alleen maar wit is. In de schaduw verschijnen er ook blauwe, violette en grijze tinten in de sneeuw. En besneeuwde open plekken in het bos krijgen door het zonlicht juist een zachtgele of oranje gloed. Zo zorgt hij ervoor dat een “simpel” winterlandschap toch heel levendig bij je binnenkomt.

Bij Pekka Halonen krijgt iedere boom en iedere rots een eigen plek, dus dat hij dit allemaal schilderde als lofzang op de Finse natuur snap ik heel goed. In zijn kunstwerken gaat de natuur haar eigen gang en ik ben daar groot, gróót fan van. 🙂

Schilderen met naald en draad

Gisteren rondden we in 2vwo een lessenserie over de Noordse landen af. Het laatste “land” waar ik de leerlingen over vertelde, was Sápmi. Het is een land dat de kinderen niet kennen, omdat het geen natiestaat is. Het is het gebied waar de Sámi nu wonen. Vandaag bezocht ik het Wereldmuseum in Leiden, waar precies op dit moment een aantal kunstwerken van Britta Marakatt-Labba hangt. Dat wist ik niet, maar de timing van deze wisseltentoonstelling kon niet beter.

Sápmi strekt zich uit over het noorden van Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland. Het is de traditionele naam voor het oorspronkelijke leefgebied van de Sámi. Ze zijn de enige erkende inheemse bevolkingsgroep van Europa en wonen daar al duizenden jaren. Hun bestaan was lange tijd gebaseerd op jacht, visserij en rendierhouderij. Eventuele bijproducten hiervan werden verkocht aan de lokale bevolking. Vanaf de 19e eeuw werden de Sámi steeds meer onderdrukt door de regeringen van hun leefgebied. Hun taal en cultuur werd als ondergeschikt gezien en veel ervan dreigde voorgoed te verdwijnen. Sommige Sámi-talen zijn zelfs al uitgestorven. Maar de tijden zijn veranderd en de nationale overheden begrijpen inmiddels beter welke gevolgen hun kolonisatiebeleid heeft (gehad). Tegenwoordig wordt er actief gewerkt aan het behoud van hun culturele erfgoed, talen en traditionele levenswijze… maar nog altijd het meeste door de Sámi zelf.

Britta Marakatt-Labba in 2022, © Marja Helander. 

Bijvoorbeeld door de bovengenoemde Britta Marakatt-Labba (1951); één van de bekendste Sami-kunstenaars. Ze groeide op in een Sami-familie van rendierhouders in Noord-Zweden en heeft in haar leven uitsluitend Zweeds onderwijs genoten, waarbij er weinig aandacht aan de geschiedenis van de Sámi werd besteed. Om die reden verwerkt zij in haar kunst wél de geschiedenis, cultuur en leefwereld van haar volk. Haar textielkunst en borduurwerk is internationaal bekend. Met naald en draad verbeeldt Britta kleine verhalen over het dagelijks leven, de relatie met de natuur, oude tradities en de politieke strijd van de Sámi. Schilderen met naald en draad, noemt ze dat.

Haar werk draagt direct bij aan cultuurbehoud. Door verhalen en ervaringen vast te leggen, geeft zij de Sámi-cultuur door aan toekomstige generaties. Het Nasjonalmuseet in Oslo (Noorwegen) heeft haar werk opgenomen in de nationale kunstcollectie. En vandaag stond ik dus in het Wereldmuseum in Leiden te kijken naar twee van haar borduurwerken, allebei even mooi en gedetailleerd.

Met fijne steken en kleine textielfragmentjes creëert Britta begrijpelijke voorstellingen van (onder andere) rendiermigraties, het dagelijks leven van Sámi-families, traditionele gebruiken/rituelen en (soms gruwelijke) gebeurtenissen uit de politieke strijd voor emancipatie. Van veraf lijken haar borduurwerken net schilderijen. Van dichtbij zie je steeds meer details en zo ontdek je langzaam uit hoeveel steken en stofjes één boompje of bergwand bestaat. Ontzettend knap gedaan, ik vind het echt mooi. Deze twee kunstwerken komen allebei uit 2011 en hebben geen titel. Aan de wand tegenover de werken, wordt een korte film over het leven en het werk van Britta vertoond. Het is de documentaire “Sylkvasse Sting” (“Messcherpe Steken”) van het Nasjonalmuseet. De video staat ook op YouTube:

De geschiedenis van de Sámi raakt mij over het algemeen en de borduurwerken van Britta Marakatt-Labba raken mij in het bijzonder. Waarom precies kan ik niet goed uitleggen, maar het gevoel heeft sowieso te maken met de leefwijze van de Sámi. Ik deel hun spirituele opvattingen over de natuur en ik vind dat hun praktische omgang daarmee een voorbeeld moet zijn voor anderen. Als iedereen op aarde filosofieën van balans en eerbied zou nastreven, zou het leven op aarde veel minder penibel zijn. De campagnes die de Sámi voeren gaan over de verbetering van hun eigen positie, natuurlijk, maar tegelijkertijd zijn hun standpunten urgent voor ons allemaal. Misschien is dat precies waarom hun verhaal nog lang niet is uitverteld.

Hyvää Helsinki-päivää!

Ieder jaar op 12 juni wordt de Finse hoofdstad in het zonnetje gezet, want dan is het Helsinki-dag. Het is een stadsfeest waarbij de stichting van Helsinki in `1550 gevierd wordt met optredens, kunsttentoonstellingen en tal van andere culturele en creatieve activiteiten.

Het gaat ook gepaard met een paar unieke tradities. Het meest bekend is de “Pormestarin aamukahvit”, de koffieontvangst van de burgemeester in het stadhuis. Hier kunnen inwoners en bestuurders elkaar ontmoeten. Ook worden de eretitels “Stadin Friidu” en “Stadin Kundi” uitgereikt aan personen die zich op een bijzondere manier voor de stad hebben ingezet. Die titels betekenen respectievelijk “meisje van de stad” en “jongen van de stad” in het dialect van Helsinki. En ook andere personen die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het openbare leven van de stad krijgen vandaag een medaille. Een meer recente traditie is het vieren van de “Helsinki-päivän vauva”, de eerste baby die op Helsinki-dag wordt geboren. Als er een kindje geboren wordt, wordt het nieuws doorgegeven en verspreid. Dan gaat overal de kurk van de fles, haha!

Deze mooie combinatie van geschiedenis, kunst en cultuur komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Helsinki heeft een lange geschiedenis, met Zweedse, Russische en Finse perioden en een flinke portie oorlog en conflict. Ter ere van Helsinki-päivä heb ik een mini-documentaire over de stad gemaakt… van 0 tot nu. 😉

Fijne Helsinki-dag! 😀

Appetijtelijk kijken in het LAM

Afgelopen weekend bezochten mijn moeder en ik het LAM in Lisse. We waren er allebei nog nooit eerder geweest en ik was erg benieuwd naar een specifiek doek waarover ik in het Museumtijdschrift gelezen had: een portret met… kaas.

Op dit moment loopt namelijk de tentoonstelling “Lekker portret”, boordevol eetportretten. Dat zijn kunstwerken waarin voedsel als gezicht of karakter wordt verbeeld. Op de bovenste verdieping loop je als bezoeker zodoende langs kunstwerken waarin je een glimlach kan ontdekken, of juist een sip gezichtje. Het zien van gezichten in dingen die eigenlijk geen gezicht zijn, noem je pareidolie. Het eerdergenoemde doek met de plak kaas vond ik daarvan het beste voorbeeld. Het schilderij is van Robert Roest en heet “Casus I”. Ik werd er zelf erg geval vrolijk van. 😀

Op de tweede en eerste verdieping (in het LAM loop je van boven naar beneden) zijn nog meer werken te zien die met smaak, voedsel, eetcultuur of walging te maken hebben. Het LAM staat dan ook bekend om moderne kunst rondom eten, drinken en consumeren. De foto’s hierboven en hieronder tonen slechts een greep daarvan. Het ene werk is nog absurder dan het andere, zoals “Jan Patat” van Sietske Zandbergen. Een ongemakkelijk figuur, waar je dan toch even naast wil gaan zitten. Een enkel werk vond ik ronduit smerig, zoals de kauwgomballen van Kira Fröse. Goed, het materiaal was keramiek, maar de associatie met uitgekauwde kauwgomproppen maakte dat ik er geen foto van gemaakt heb. Andere schilderijen waren gelukkig stukken frisser, zoals “Iceberg Lettuce” van Tjalf Sparnaay. Daar kreeg je bijna trek van.

Indrukwekkend is de installatie van Itamar Gilboa, die een jaar lang bijhield wat hij at en dronk en het eindresultaat tot uiting brengt in een werk met 8000 porseleinen voedselproducten. De titel is “Self Portrait – What I Ate in a Year”. Dit is misschien wel het bekendste werk dat het museum heeft.

Het laatste grote driedimensionale werk waar je langsloopt, is “Bad Grapes” van Kathleen Ryan. Deze druiven van edelstenen en kralen trekken meteen de aandacht. De afzonderlijke steentjes glinsteren je tegemoet. Ik, als ekster die van edelstenen houdt, kan hier echt uren naar kijken. Zo mooi. En alle losse delen maken een herkenbaar geheel. Dit zijn de enige rotte druiven die je in je huis zou willen hebben!

En nog een eervolle vermelding voor een foto waar wij hard om moesten lachen, van een druiventakje op een stukje keukenpapier. Als mijn moeder druiven eet, legt ze ook altijd een klein takje op een stukje keukenpapier na het wassen van de druifjes. Dan eet ze het trosje uit de hand, met het keukenpapiertje eronder tegen het druppen. Ze had het thuis direct nagemaakt, hahaha. Kan ze dit werk nu verkopen? 🙂

Of de getoonde werken nu wel of niet kunstwaardig zijn, is natuurlijk een kwestie van perspectief en smaak. Wij hebben in ieder geval een gezellige tijd gehad in het museum en deden na afloop ook nog even een rondje door de tuinen van Kasteel Keukenhof, dat er direct naast ligt. Het LAM is goed te bereiken en er is gratis parkeergelegenheid. Bedenk van tevoren wel even of je het LAM gaat (wilt) bezoeken als de Keukenhof ook open is. Dit veroorzaakt namelijk een behoorlijke file rondom het terrein. Daar hadden wij niet over nagedacht en zo waren we ineens een half uur langer onderweg. Afijn, het was niet onoverkomelijk, maar wel iets om rekening mee te houden. In het museum zelf was het weer rustig en overzichtelijk. 🙂

Glasstad, glasmuseum en glasblazerij

Dat kan maar betrekking hebben op één Nederlandse stad: Leerdam! Op weg naar een andere afspraak, maakte ik er een uitgebreide tussenstop om bij het Nationaal Glasmuseum alles te leren over het ambachtelijke glasblazen.

Het feest begint buiten het museum al, want op het parkeerterrein staat “De Tempel” van Hans van der Pennen (een enorm kunstwerk uit 1990). Het trekt meteen je aandacht en als je dichterbij komt, zie je steeds meer gekleurde stukken glas in het bouwwerk. Direct naast het Glasmuseum staan fabriekshallen waar vandaag nog steeds glas verwerkt wordt. Je ziet de grondstoffen en afvalproducten buiten liggen.

Eenmaal in het museum, kom je van alles te weten over de glasindustrie. Van Leerdam natuurlijk, maar ook van andere steden en plekken. Je maakt er kennis met een aantal hoofdpersonen, zoals Petrus Marinus Cochius (toenmalig directeur van de glasfabriek, het museum is in zijn voormalige woonhuis gevestigd) en Karel de Bazel (gerenommeerd architect en glaskunstenaar). Je ziet veel voorwerpen die met het productieproces te maken hebben, zoals grondstoffen en houten mallen.

Beneden, bij de cafetaria, staat een grote glascaleidoscoop. Als je met je hoofd in de tunnel naar voren kijkt en aan de drie wielen draait, verandert het beeld constant met drie verschillende platen (een achtergrond en twee patroonplaten). Ik kan daar echt uren naar kijken. 🙂

In de tuin(huisjes) is momenteel de tentoonstelling “Inflatable Thoughts” (“Opblaasbare Gedachten”) van Marinke van Zandwijk te zien. Een hoop kleurrijke bubbels en bobbels, vrij hangend en rollend, of juist geblazen in een kooitje.

Ook binnen hangt er werkt van haar. Wat mijn aandacht trok, was haar glasversie van de Rorsachplaten. Dat zijn die bekende plaatjes van suggestieve vlekken die in de psychologie gebruikt worden. De cliënt interpreteert de afbeelding op de kaart en vertelt wat de vorm oproept. De behandelaar komt dan meer te weten over het karakter en de denkwijze van de cliënt. Hoewel de waarde van de Rorsachplaten betwist wordt, worden ze nog steeds gebruikt in de psychiatrie. De glasversie van de Rorsachplaat met de meeste kleuren, vult een hele wand in het museum. Zie de linkerfoto. En of je nou interpreteert of “alleen maar kijkt”, dat ziet er prachtig uit.

Op de overige verdiepingen van het museum is er aan glaskunst geen gebrek, je loopt continu langs het open depot (vitrinekasten met collecties). Op zolder is het werk van Mieke Groot uitgelicht, in de tentoonstelling “Van Klein naar Groot”. Daar zitten veel stukken bij die je zou willen aanraken; met ribbeltjes, bolletjes en laagjes. Maar kijken doen we natuurlijk met onze ogen. 😉

Deel II van het avontuur is een bezoek aan de glasblazerij, die je bereikt door een korte wandeling door Leerdam. Dit hoort bij het museum, maar het is tegelijkertijd een werkplek waar glasblazers en kunstenaars opdrachten en/of eigen werk vervaardigen. Bezoekers zien de vakmensen dus letterlijk aan het werk; er wordt niet zomaar iets gemaakt wat vervolgens weggegooid wordt. Je neemt plaats op een tribune en je blijft zitten zo lang je wil. Er wordt ondertussen uitleg gegeven bij het proces van het glasblazen, zodat je leert hoe glas gemaakt wordt. We mochten op een gegeven moment langs de werkplekken lopen, waar we van de glasblazers meer informatie kregen over de ovens en de gereedschappen. Hoogtepunt (in ieder geval betreft de temperatuur) was dat we ook een kijkje mochten nemen in de oven waar het vloeibare glas in zit. Een heel kort kijkje, want je steekt je hoofd in een oven waarbinnen het 1250 graden is. Unieke ervaring! De werktemperatuur is overigens nog steeds 1130 graden (!).

Op de dag van mijn bezoek was meesterblazer Gert Bullée aan het werk. Hij heeft ontzettend veel vragen beantwoord, ook van mij (haha). Ik wilde bijvoorbeeld weten of de werkwijze anders is voor linkshandigen. Dat kan, soms staat de opstelling gespiegeld voor een linkshandige blazer (en werkt de blazer dus de andere kant op). Maar meestal maakt de dominante hand niet uit; leerlingen beginnen vanaf 0 dus kunnen zichzelf makkelijk aanleren om de gereedschappen met beide handen te hanteren. Interessant, toch?

Die dag werkte hij samen met kunstenaar Hans Muller aan diens patatbakjeslamp. Ja, dat is precies wat je denkt dat het is. Wie altijd al een uniek glazen object in huis had willen hebben, moet maar eens op de website van Gert Bullée kijken (klik hier voor een impressie). Wat een ambachtelijke kunstwerken, ik vind het zo knap! Of bezoek de website van Hans Muller voor de patatbakjes (klik hier).

Het was een leerzame en inspirerende dag in Leerdam. Van meesterproef tot designobject en van koelovens tot blaaspijpen; ik heb echt genoten van wat ik allemaal gezien heb. Aanrader dus!

Geschiedenis in honingraten (en meer) bij Museum Kranenburgh

Onlangs bezochten mijn moeder en ik Museum Kranenburgh in Bergen (Noord-Holland). Zoals het museum zichzelf omschrijft, is dit “een plek voor moderne en hedendaagse kunst in het kunstenaarsdorp Bergen”. Wij waren er nog nooit eerder geweest, dus we waren benieuwd.

Momenteel neemt de tentoonstelling “For Eternity” (“Voor de eeuwigheid“) van de Slowaakse kunstenaar Tomáš Libertíny de meeste zalen in beslag. Libertíny werkt al bijna twee decennia samen met de natuur om complexe werken te creëren. Dat zie je meteen aan het materiaal: de kunstwerken zijn gemaakt van honingraten.

Toch zijn alle vormen en voorstellingen herkenbaar. Zo liepen we langs amforen uit de Klassieke Oudheid, langs memento mori’s uit de middeleeuwen en zelfs langs de bekende buste van Nefertiti… maar dan gemaakt van bijenwas. Een co-creatie van Libertíny en zijn bijenvolken. Op schermen kun je zien hoe de werken gemaakt zijn. Ontzettend interessant en wat mij betreft ook een indrukwekkend proces. We waren onder de indruk.

Boven in het museum hangt de permanente tentoonstelling, met werken die voornamelijk uit de 20e eeuw komen (maar soms ook uit recentere tijden). Kunst van de Bergense School vormt de kern van de collectie, bijvoorbeeld van Charley Toorop, Jan Sluijters, Else Berg en Leo Gestel. Maar er hangt ook werk van Lucebert, Jaap Mooy en Edgar Fernhout.

Op de laagste verdieping van het museum is de tentoonstelling “De held, de schurk en de waarheid” te zien. Dit is een initiatief van Johan Idema, met werken van Folkert de Jong. Het is een verzameling enorm grote mensfiguren van styrofoam, waar je helemaal omheen kunt lopen. De tentoonstelling wordt beschreven als theatraal, met prikkelende audioverhalen en dramatische belichting. Bij ieder werk staat een bank om even op te zitten terwijl je via een koptelefoon naar het verhaal luistert. De Jong “speelt met het begrip geschiedenis” en wil de kijker bewust maken van de veranderlijkheid daarvan. Tja… Wat kan ik daarover schrijven als historica? Ik vond de verhalen niet prettig om naar te luisteren, omdat het nergens heen ging. Er werd geen punt gemaakt en er werden geen historische gebeurtenissen uitgelegd. Er werd gewoon gegrabbeld in alles wat de mensheid heeft voortgebracht; of dat nou goed of slecht bleek te zijn. Er is een werk dat “Queen of Coal” (“Koningin van de Kolen“) heet en koningin Wilhelmina moet voorstellen, maar het is een circusdirectrice met een stuk kool in haar hand.

De begeleidende tekst is:

Zo vond ik de elementen van de overige werken ook enigszins bij elkaar gegraaid. Als Idema en De Jong iets wilden losmaken bij het publiek, dan is dat zeker gelukt. Maar mooi of interessant vond ik het persoonlijk niet. Maar goed, iedereen mag zich daar een eigen mening over vormen natuurlijk.

Omdat we van slag waren van de styrofoampoppen, trokken we snel de beeldentuin in om te kalmeren (haha). Daar loop je onder andere langs een enorm glinsterend vogelfiguur van Lucebert, langs “Flora” van Pauline Eecen en langs een aantal hazen “met menselijke trekjes” door Iris Le Rütte. Dat vonden we wél prettig, maar dat kwam ook door de mooie tuin. In de zomer bloeien er overal kleurrijke planten. Er is een natuurvijver en er staat zelfs een mammoetboom. Een fijne plek om te zitten met een versnapering uit het restaurant, dus.

Ten slotte nog een eervolle vermelding voor het werk “Mediterranean Wind” van de hedendaagse kunstenares Claudy Jongstra. Het is een groot kunstwerk en het hangt in de entreeruimte (tevens gang naar het restaurant), dus het is niet te missen. Er is wol, zijde en katoen gebruikt en deze stoffen vloeien in elkaar over, zodat ook de kleuren samensmelten. Kijk, dat vind ik nou mooi.

We hebben een gezellige moeder-dochtermiddag beleefd in Bergen, maar ons bezoek verliep niet helemaal vlekkeloos. Het museum is bereikbaar met het OV (met de bus vanaf station Alkmaar), maar wij kwamen met de auto. Het aantal parkeerplaatsen bij het museum is zéér beperkt. We kwamen op een doordeweekse middag, maar omdat mensen ook naar Bergen komen voor het duingebied en voor het dorpje zelf, is het vechten om een plekje. Misschien was het een momentopname, maar er heerste echt chaos. Er werd geschreeuwd en getoeterd en er ging een paar keer een autoalarm af. Uiteindelijk vonden we een betaalde parkeerplek op 15 minuten lopen, wat toch een beetje jammer was. Maar als je dit van tevoren in gedachten houdt, word je er niet door verrast. En hoef je dus ook niet te schreeuwen en te toeteren, haha.

Kasteel het Nijenhuis – Museum de Fundatie

Eergisteren bezocht ik Kasteel het Nijenhuis in Heino, Overijssel. Hier vind je een constante combinatie van kunst en historie: in het gebouw, in de collectie en in de beeldentuin rondom.

Kasteel het Nijenhuis is eigenlijk een havezate. Het is één van de best bewaarde middeleeuwse borghoven van Overijssel en de buitenkant is meteen al indrukwekkend. De eerste vermelding van het kasteel dateert uit 1382, maar het huidige aanzien is het resultaat van diverse bouwfases. Het begon met een middeleeuwse kern en transformeerde via talloze uitbreidingen en ingrepen door adellijke families tot het huidige kunstkasteel. Na een periode van verval werd het landgoed in de 20e eeuw gered dankzij de inspanningen van kunstverzamelaar Dirk Hannema, die het kasteel vanaf 1958 tot zijn dood in 1984 bewoonde en zorgde voor de restauratie ervan. Onder leiding van architect Gunnar Daan onderging Het Nijenhuis in 2003 een herinrichting tot museum, waarna het sinds 2004 is opengesteld voor publiek.

Binnen de muren van het kasteel heeft Museum de Fundatie (met basis in Zwolle) ervoor gezorgd dat een deel van de rijke kunstcollectie van Dirk Hannema wordt tentoongesteld. Zo zijn er schilderijen, tekeningen, sculpturen en toegepaste kunstwerken uit diverse tijden en culturen te zien. Er is een vaste presentatie en er zijn regelmatig wisseltentoonstellingen. Mooie stukken die mij persoonlijk opvielen waren een Picasso, een graffiguur van een paard uit de Chinese Tang-dynastie (619-906), een ambachtelijke vleugel en een (stilleven met) dooie vis.

Buiten gaat het feest verder. Rondom het kasteel strekt zich een uitgebreide beeldentuin uit, die ook prima te bewonderen is als het een beetje regent. In deze siertuin staan meer dan honderd sculpturen van nationale en internationale makers.

Opvallend is het “Wilhelminabeeld“, vervaardigd door beeldhouwer Mari Andriessen. Het verbeeldt koningin Wilhelmina als symbool van standvastigheid en nationale identiteit. Ik weet dat er vele (kleinere) kopieën van zijn gemaakt, want ik ben dit beeld al vaker tegengekomen in musea en kastelen. Ook “De Zilveren Bol” springt in het oog, een sculptuur van Adriaan Rees. Het spiegelende kunstwerk vormt, aldus de kunstenaar, “een eigentijds tegenwicht voor de historische omgeving”.

En inderdaad. Ik heb het naar mijn zin gehad in deze geslaagde combinatie van kunst, geschiedenis en kunstgeschiedenis. 🙂

Foto of schilderij?

Het Stedelijk Museum Alkmaar bezoek ik regelmatig en steeds trekt een bepaald schilderij uit de vaste collectie mijn aandacht. Als je de ruimte binnenkomt is het niet meteen duidelijk of het een foto of een schilderij is. Uiteraard is de kledingstijl niet modern, maar deze dame is zo ontzettend fijntjes en gedetailleerd vastgelegd, dat het (wat mij betreft) ook een hedendaagse foto à la Jimmy Nelson kan zijn.

Dit is het portret van Elisabeth van Cronenburg (1564-1631), geschilderd door Aert Pietersz en voltooid in 1594. Het portret van haar man Cornelis van Egmond van Nijenburg (1553-1606) hangt ernaast; een hoge pief die in Alkmaar regent, schepen en burgemeester was. Ze huwden in 1583. Op beide schilderijen is eenvoudig te zien hoe rijk zij waren, want ze dragen luxe kleding van satijn, fluweel en gesneden (“gehackelde“) stof. Ook de sieraden met edelstenen en de spierwitte kragen tonen hun rijkdom. Het is vooral de blik in haar ogen die opvalt; Elisabeth kijkt je aan als je tegenover het schilderij staat. Over smaak valt niet te twisten, maar ze zit er stijlvol bij.

Waar de Hollandsche regenten hun geld mee verdienden in de Gouden Eeuw is niet altijd duidelijk en ook zeker niet altijd zuivere koffie. Van deze bekende familie Van Egmond-Van Nijenburg weten we echter wel waar hun vermogen op gebaseerd was: het groeide met iedere nieuwe generatie door bestuurlijke posities, slimme huwelijken en het verwerven van heerlijkheden. We kunnen dus stellen dat hier geen sprake was van een zogeheten “koopmansfortuin” zoals Amsterdamse, Hoornse of Middelburgse handelsfamilies in de overzeese gebieden bij elkaar schaarden. Het bezit van Cornelis en Elisabeth werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog overigens verbeurd verklaard door de Hertog van Alva, omdat Cornelis met Willem van Oranje naar het buitenland was gegaan. Maar dat wist het echtpaar nog niet toen hun portretten werden vastgelegd. Anders zouden hun blikken wel wat minder guitig zijn geweest.