Mijn eerste Vappu

Niet een vape om te roken, maar Vappu om het voorjaar te vieren. Vappu is in Finland namelijk een nationale feestdag waarop meerdere tradities samenkomen. Dit jaar spendeerde ik twee dagen in Vantaa en Helsinki om het mee te maken.

Met Vappu mag de vlag uit!

Vappu valt ieder jaar op 1 mei. Op deze dag (en in de nacht ervoor) wordt er van alles gecombineerd dat ook in andere landen gevierd wordt, namelijk May Day, Beltane of Walpurgis(nacht), de afstudeerceremonie van scholieren en de Dag van de Arbeid. Enerzijds wordt het nieuwe seizoen feestelijk verwelkomd en anderzijds wordt er stilgestaan bij de internationale arbeidersstrijd. En dan nog een toefje studentencultuur erbij. De wisseling van de seizoenen wordt in FennoscandiĂ« al minstens sinds de middeleeuwen door gemeenschappen samen gevierd. Vappu als combinatie van feesten kreeg in de jaren ’50 haar huidige vorm.

Er gebeurt deze twee dagen dus van alles. Overal in het land worden evenementen georganiseerd, van braderieĂ«n tot aan muziekoptredens en van loterijen tot aan tradities die op de nationale televisie worden uitgezonden. In Helsinki vindt op 30 april het grootste ritueel plaats, namelijk het wassen en “aankleden” van het standbeeld Havis Amanda in de haven. De ceremonie staat bekend als “Mantan lakitus” (“het opzetten van de Manta-pet”). Manta is de bijnaam van het standbeeld, omdat zij een zeenimf voorstelt. Op de foto rechts staat ze nog zonder pet.

Aan het begin van de 20e eeuw claimden studentenverenigingen het beeld als hun eigen feestpunt. Ze gingen het beeld symbolisch wassen en versieren, wat langzaam uitgroeide tot een vaste traditie. Nu wordt er ieder jaar een witte studentenpet (de “ylioppilaslakki“) van bovenaf op het beeld gezet door studenten die aan een hijskraan hangen. Deze pet staat in Finland symbool voor het behalen van het eindexamen en het begin van het volwassen leven. De Scandinavische landen kennen dit concept ook, maar onder andere namen. In Denemarken heet het de “studenterhue“, in Zweden de “studentmössa” en in Noorwegen de “studentlue“.

In Helsinki was het een drukte van jewelste bij het standbeeld. Om 18:00 uur precies wordt de pet op het beeld geplaatst, maar zo rond 17:00 uur stonden er al duizenden mensen klaar. Ik had een prima plekje gescoord en na een tijdje deed ik automatisch mee met het juichen en klappen. Het enthousiasme was behoorlijk aanstekelijk. 😀

Na afloop verspreidde de mensenmassa zich over de stad. In Helsinki is het maar twee keer per jaar zo druk, namelijk op Oudjaarsavond en met Vappu. Hoe later het wordt, hoe meer mensen er naar buiten komen. Dat was goed te zien op het Senaatintori; het centrale plein bij de kathedraal. Daar was aan het begin van de middag namelijk rustiger dan aan het begin van de avond.

Terwijl de meeste studenten nog een feestje opzochten, vertrok ik naar mijn appartement in Vantaa. Buiten de stad heerste de gewoonlijke Finse rust en orde, dus ik ging rustig naar bed. De volgende ochtend liep ik over de braderie van Tikkurila, die sterk deed denken aan de Nederlandse seizoensmarkten. Er werden zoetigheden, sieraden en huishoudartikelen verkocht. Er waren groentekraampjes en kermisattracties voor de kinderen. Bijzonder om te merken dat het concept in Finland hetzelfde inhoudt als in Nederland.

Ondertussen begon in Helsinki de volgende traditie, namelijk het zogeheten “vapputervehdykset” (het “Vappu-groeten”). Hierbij ontvangt de Finse president, momenteel Alexander Stubb, diverse groepen bij het Presidentieel Paleis. Het is een informeel moment waarop de president zijn zichtbaarheid en betrokkenheid kan tonen. En volgens mij wordt het ook inderdaad als zodanig door het volk gewaardeerd. Ik was er niet bij, maar heb het later teruggekeken op Instagram.

Eenmaal in de stad aangekomen, kwamen er uit iedere richting vrolijke geluiden. Er speelden veel bandjes en er waren doorlopend parades. Ik ben min of meer door de hele stad gelopen en op sommige plekken bleef ik wat langer staan om naar een optreden te kijken. De sfeer was echt ontzettend ontspannen en vrolijk. Dat het mooi weer was, droeg daar uiteraard ook aan bij. Op de foto’s hieronder kun je zien dat de Esplanadi (de twee hoofdstraten) afgezet waren en dat zich daar de meeste mensen verzameld hadden.

Ik kwam bij het Natuurhistorisch Museum en zag dat de bronzen eland voor het gebouw ook een ylioppilaslakki gekregen had, haha! Sterker nog, ook Manneken Pis in Brussel deed mee, met dank aan de Finse gemeenschap aldaar (via @finlandineu). Maar naast de studentenpet, is er nog een ander cruciaal onderdeel van de Vappu-outfit: de studentenoverall. In Finland hoort dit echt bij je studie, of je nu een feestbeest bent of een serieuze boekenwurm. De kleuren van de haalarit horen bij bepaalde studierichtingen, dus je overall verraadt meteen welke opleiding je volgt. Het is de bedoeling om hem tijdens je studententijd te versieren met patches van evenementen en verenigingen. Een overall is dus al gauw een heel persoonlijk kledingstuk.

Ik deed nog een laatste rondje door het Museumkwartier en langs het Lasipalatsi en pakte daar nog een optreden mee naast het standbeeld van oud-president Kyösti Kallio. NatĂșĂșrlijk had ook hij voor de gelegenheid een petje gekregen.

Verder horen er ook typische gerechten en drankjes bij Vappu, waarvan ik ook iets heb kunnen proeven. Ten eerste heb je de welbekende munkki (donuts). Ze zijn naturel of gevuld met karamel/jam. In de ochtend probeerde ik er eentje in Tikkurila en ’s avonds verhuisde ik naar een hotel, waar ze toevallig ook weer stonden. Daar werd ook sima geserveerd; een gefermenteerde citroen- en honingdrank. De naam sima is een archaĂŻsch woord voor “honing”, zodanig door Elias Lönnrot beschreven in de Kalevala. Ik had geen idee wat het was, dus de eerste slok van het bitterzoete spul was nogal een verrassing.

Door de hele stad stonden kraampjes met snoep. De borden met METRILAKUT trokken steeds mijn aandacht… en toen kon ik de verleiding niet meer weerstaan. Ik heb een zakje met 4 metrilakutten meegenomen, voor onderweg. En eigenlijk ook gewoon omdat ik erom moest lachen. Er staat metri-lakut, niet metrila-kut. Het betekent niets meer of minder dan “drop per meter”, want het gaat hier om snoepslierten van ongeveer een meter. Maar zeg me alsjeblieft dat ik niet de enige ben die moet lachen om die naam!

Dan heb je ook nog tippaleipÀ, wat een knapperig gebakje is in de vorm van een gefrituurd vogelnestje. De fancy Vappu-gangers drinken daar champagne bij, maar dat heb ik allebei niet geprobeerd. Ach, er is altijd een volgende keer.

Die avond ging ik moe, maar voldaan naar bed. Ik vond de evenementen netjes georganiseerd en de sfeer was echt gezellig en gemoedelijk. Het is zo gaaf dat iedereen meedoet met de tradities, zoals je direct ziet aan het aantal studentenpetten in de stad. Ook alumni doen eraan mee. De bejaarden onder hen hebben hun pet minstens 50 jaar geleden verdiend, dus het is echt een feest voor jong en oud.

Wie weet ben ik er volgend jaar weer bij!

De Tijdlijn van Suomenlinna (Finland)

Eindelijk! Deze nieuwe tijdlijnvideo toont de geschiedenis van Suomenlinna, een forteiland voor de kust van Helsinki (Finland). In de 18e eeuw werden deze kalme, kale rotsen door de Zweedse overheid omgevormd tot een indrukwekkend bastionfort. Het project kreeg de naam “Sveaborg” (“Kasteel van de Zweden“) en was bedoeld om de Finse kustlijn te verdedigen tegen aanvallen van het Russische Rijk.

Als gevolg van de Finse Oorlog (1808-1809) wisselden de eilanden van eigenaar. Terwijl het Zweedse Rijk afbrokkelde, werd Sveaborg door de Russen beheerd en gemoderniseerd. Aan het begin van de 20e eeuw had de Russische administratie de handen vol aan de Eerste Wereldoorlog en de interne Russische Revolutie(s). Finland werd onafhankelijk en het fort werd omgedoopt tot “Suomenlinna” (“Kasteel van Finland“).

Het bezoeken en filmen van Suomenlinna was voor mij een bucket list-ervaring. Al jaren had ik plaatjes en informatie over deze plek op mijn telefoon staan en nu had ik eindelijk de kans om het met eigen ogen te bekijken. Zelfs in de winter is het een fijne en makkelijke plek om te bezoeken; het pontje brengt bezoekers in 15 minuten heen en weer. Veel gebouwen, winkels en cafĂ©s zijn open in het laagseizoen; zo ook het Suomenlinna Museum. Dat is sowieso een warme en leerzame plek. Ik was positief verrast door de faciliteiten op de eilanden. Zomers is er zelfs nĂłg meer te beleven. Dit is in alle seizoenen een indrukwekkende plek. 🙂

En daar gaat ook het laatste Vikingschip…

Niet weg, niet naar de overkant van de Noordzee, niet over woeste wateren om te handelen met onbekende volken… Nee, vandaag wordt het Tune-schip verplaatst naar het nieuwe Vikingtidsmuseet nabij Oslo.

Dit is het laatste Vikingschip dat met bloed, zweet en tranen naar de nieuwe tentoonstellingsruimte verplaatst moet worden. In november schreef ik al over de verhuizing van de Oseberg en de Gokstad (lees het artikel hier). De Tune spreekt misschien minder tot de verbeelding, omdat dit schip er niet zo indrukwekkend uitziet als zijn grotere broers. Het is ook minder gepreserveerd dan de andere twee; dat kun je meteen zien. Maar juist daarom is het ook het meest historisch authentieke schip uit de collectie!

De Tune is in 1867 opgegraven in Sarpsborg (RolvsĂžy) in Østfold. Aan het begin van de 10e eeuw is het gebruikt als grafschip, het jaartal wordt geschat op 910. Het schip zelf is iets ouder dan dat en is waarschijnlijk van tevoren nog gebruikt op het water. Het is de laatste onderneming van het monsterproject om het nieuwe Vikingtidsmuseet te realiseren. De Tune legt een “pad” af van maar liefst 130 meter. De totale verhuizing duurt dan ook 3 dagen, waarvan vandaag de belangrijkste dag is. Ik ben deze keer wat meer betrokken dan ik bij de andere schepen was. Omdat het nu voorjaarsvakantie is, kan ik de live-updates volgen. Ook meekijken? Schakel over naar de sociale media van het museum via @vikingtidsmuseet.

Aan het einde van deze week mag het team zó trots zijn op deze prestaties! Dan staan de drie Vikingschepen klaar voor het grote publiek. 🙂

Op avontuur onder het Domplein (Utrecht)

Ik kreeg laatst een uitnodiging voor een heel leuk uitje: een rondleiding door Paleis Lofen in Utrecht. Deze keizerlijke residentie staat vandaag niet meer overeind… maar bestaat nog wel onder de grond!

De rondleiding begint op het Domplein. Daar schetst de gids een beeld van de historische context. Hoe zag Utrecht eruit in de hoge middeleeuwen? Wat was het belang van de rivieren in de omgeving? Wie had er de macht? Het begint eigenlijk al met een mini-college op de plek waar het allemaal gebeurde. Daarna loop je door naar de tegenwoordige “ingang” van Paleis Lofen, aan de Vismarkt. Daar daal je af naar beneden, totdat je in zalen staat die onder het Domplein liggen.

Onder de grond vertelt de gids verder. Je krijgt ook een audiotour met meer informatie over de vondsten in de vitrines. En als afsluiter neem je plaats in een filmzaal, waar drie grote schermen ervoor zorgen dat je zelf getuige wordt van de geboorte van Utrecht. Het geluid komt uit alle hoeken en je hebt ogen tekort. Als je in het midden van de zaal zit, lopen de schermen bijna 360 graden rond!

In de video hieronder neem ik jullie mee. Maar eigenlijk gaat er niets boven de ervaring ter plaatse. Als je in de kelders onder de imposante zuilen doorloopt, waan je je direct in de middeleeuwen. Zeker met de archeologische vondsten erbij, krijg je een heel accuraat tijdsbeeld. En in de laatste ruimte waar de rondleiding langs voert, kun je zelfs nog op een stukje Romeinse muur staan. Echt een uniek ondergronds avontuur!


Veel dank aan Stichting Ondergronds Domplein voor de uitnodiging.

De laatste Viking

Gisteren heb ik de gloednieuwe Deense film “Den sidste viking” (“De laatste Viking“) in de bioscoop gezien. Het verhaal is geheel fictief, met hoofdrollen voor Mads Mikkelsen, Nikolaj Lie Kaas en Sofie GrĂ„bĂžl. Maar de laatste Viking bestaat wĂ©l als concept en wordt symbolisch verbeeld in Trondheim. In dit artikel leg ik uit wat de connectie is tussen de Deense film en het Noorse concept.

Eerst een woordje over de film. Het verhaal draait om de crimineel Anker die gearresteerd wordt voor een bankoverval. Terwijl hij een gevangenisstraf van 15 jaar uitzit, moet zijn broer Manfred het gestolen geld verstoppen. Na zijn vrijlating ontdekt Anker dat Manfred inmiddels een behoorlijk zware dissociatieve identiteitsstoornis heeft ontwikkeld. Omdat Manfred het ene moment denkt dat hij John Lennon is en het andere moment gelooft dat hij een Viking is, kan hij zich ook niet meer herinneren waar hij het geld verstopt heeft. Het verhaal is typisch en ook tamelijk bizar. Eigenlijk is de hele film gewelddadig, zielig en grappig tegelijk. Deense cinema ten voeten uit; ik vond het een leuke film.

Zentropa / Film i VÀst / Vertigo Média (foto door Rolf Konow).

Maar de naam is niet zonder reden gekozen. Referenties aan het Vikingerfgoed moet je in ScandinaviĂ« serieus nemen, omdat daarmee vaak een concreet gevoel of concept bedoeld wordt. In mijn beleving is het Vikingtijdperk voor Denemarken net zo belangrijk als voor Zweden en Noorwegen. En zo komen we bij de Noorse stad Trondheim. Wie daar langs de oude vismarkt Ravnkloa wandelt, kan het bronzen beeld “Den siste viking” niet missen. Hoewel de naam anders doet vermoeden, herdenkt het beeld geen historische krijger uit de Vikingtijd. Nee, het is juist een modern symbolisch werk om de Noorse zeevaarttraditie te herdenken.

Het beeld werd in 1990 gemaakt door de Noorse beeldhouwer Nils Aas. Het stelt een visser voor, verwijzend naar de gevaarlijke oceaantochten die de Noorse vissers tot ver in de 20e eeuw maakten voor hun broodwinning. Dat concept (stoere zeevaarders die hun leven wagen op zee) sluit het aan bij het romantische beeld dat veel mensen vandaag van de Vikingen hebben. Op een bepaalde manier is ScandinaviĂ« daar ook trots op; want nog altijd worden er boeken, films, kunstwerken en theatervoorstellingen aan gewijd. De naam van het standbeeld benadrukt daarom ook een soort culturele continuĂŻteit tussen de middeleeuwse Vikingen en de (vroeg)moderne Noorse vissers en kustbewoners. In de literatuur, zoals in de roman “Den siste Viking” van Johan Bojer, werd deze vergelijking overigens al veel eerder gemaakt (namelijk in 1929).

De Vikingtijd eindigde rond het midden van de 11e eeuw. Maar de herinnering aan dit tijdperk leeft voor altijd voort… en kunnen we regelmatig in de bioscoop bewonderen. 😉

Verplaatsing van eeuwenoude Vikingschepen

Momenteel wordt er in Oslo (de hoofdstad van Noorwegen) een nieuw onderkomen gebouwd voor de wereldberoemde Vikingschepen Oseberg, Gokstad en Tune.

Deze schepen waren tot 2021 te bewonderen in het Vikingskipshuset (Vikingschipmuseum), maar worden nu één voor één verhuisd naar het gloednieuwe Vikingtidsmuseet (Museum van het Vikingtijdperk) dat in 2027 haar deuren zal openen. De verhuizing van de schepen is een uiterst complexe operatie. Je kunt wel bedenken hoe moeilijk het is om de kwetsbare, zware houten schepen in te pakken, te vervoeren en vervolgens weer netjes neer te zetten. De monsterklus krijgt daarom volop aandacht in het nationale nieuws.

Op de kanalen van het museum (bijvoorbeeld op hun Instagramaccount, @vikingtidsmuseet) verschijnen regelmatig updates, maar ze hadden aangekondigd de verplaatsing van de Oseberg live te zullen uitzenden op 11 september 2025. Ik vind het leuk dat ze dit doen, want het is natuurlijk super interessant om te zien hoe dat in zijn werk gaat (en normaal krijgen bezoekers hier niets van te zien). Uiteraard was ik zelf ook benieuwd. Ik kon niet alles direct volgen omdat ik voor de klas stond, maar ik heb wel veel kunnen terugkijken op YouTube en via stories en reels.

Vanwege het succes van de eerste live-uitzending, heeft het museum onlangs ook de verplaatsing van het tweede schip, de Gokstad, met de wereld gedeeld. Wederom kon ik het niet live volgen, maar heb ik er wel veel van kunnen zien via Instagram. Deze operatie zou nóg moeilijker worden, omdat de Gokstad groter en zwaarder is dan de Oseberg. Ik heb zo met het team te doen! Als er iets één millimeter verkeerd wordt ingeschat, dan krijg je een totale ramp. Maar gelukkig ging alles goed. Wat een inspanning, echt ongelofelijk.

De Noorse premier Jonas Gahr StĂžre kwam ook kijken. Hij onderstreepte het belang van de Vikingschepen voor de Noorse identiteit. Het land draagt goede zorg voor haar cultuurhistorie, zei hij trots. Je kunt nooit spreken voor de gehele bevolking, maar ik weet van mijn eigen contacten in Noorwegen dat veel Noren inderdaad belang hechten aan dit deel van hun geschiedenis. Vandaar ook dat het Vikingtijdperk een gloednieuw museum in de hoofdstad krijgt.

Nu rest alleen nog de verhuizing van de Tune. Dit staat op de planning voor mei of juni volgend jaar, want eerst worden de stellages rond de Oseberg en Gokstad geplaatst en wordt er verder gebouwd aan het museum zelf. Spannend. Ik ben zo ontzettend benieuwd naar het eindresultaat. Ik weet zeker dat het wachten hierop dubbel en dwars beloond gaat worden in 2027!

Wandelen langs de mythische Koortsboom van Heumen (Gelderland)

Aan de rand van Overasselt, in het bosrijke gebied van de Overasseltse en Hatertse Vennen, liggen de resten van een middeleeuwse kapel. Deze Walrickkapel was ooit een klein heiligdom; druk bezocht door mensen uit de wijde omgeving. Zij kwamen hier naartoe om te bidden en om hulp te vragen bij ziekte.

De kapel werd in de 14e eeuw (of 15e eeuw) gebouwd en was gewijd aan Sint Walrick, die ook wel Sint Valerius wordt genoemd. Over deze Heilige Walrick is weinig bekend, maar we weten wel dat hij vereerd werd als genezer; vooral bij koorts. Als je Sint Walrick aansprak in jouw gebeden, zou hij jou of jouw naasten genezing kunnen geven. Dat was in de middeleeuwen een gangbare praktijk; voor iedere situatie was er wel een gepaste heilige om aan te spreken.

Maar al lange tijd voor de bouw van de kapel, was dit gebied heilig voor de oorspronkelijke bewoners. Deze groep kennen we als de Hoemannen, een Germaanse stam die na de Romeinse Tijd in het gebied rondom Nijmegen leefde. Het is aannemelijk dat de naam van de gemeente Heumen van hen is afgeleid. De Hoemannen beschouwden bepaalde plekken in de natuur als sacraal en geneeskrachtig. Vooral bomen speelden een centrale rol in hun rituelen: ze geloofden dat ziektes door speciale handelingen bij de boom konden worden afgewend.

In de 7e en 8e eeuw kwam Willibrord, de beroemde missionaris uit Engeland, naar het gebied om het christendom te verspreiden. Willibrord en zijn volgelingen verweefden het christelijke geloof met de bestaande Germaanse tradities. Zo kwam het door hen dat de eerdergenoemde eikenboom verbonden werd aan Sint Walrick (en er eeuwen later dus ook een kapel naast gebouwd werd). Eigenlijk kreeg de genezende kracht van de boom door Willibrord een christelijke betekenis.

De legende gaat dat de leider van de Hoemannen wanhopig bij Willibrord aanklopte. Zijn dochter Heribertha had hoge koorts en niets leek te helpen. De leider vroeg wat hij moest doen om zijn dochter te genezen en Willibrord raadde hem aan om een lapje stof van haar jurk in de eik te hangen. Zo gezegd, zo gedaan. Maar of Heribertha inderdaad weer beter werd, weten we niet.

De eikenboom werd in ieder geval getransformeerd tot “Koortsboom” en de lokale bevolking nam het gebruik over. Wie ziek was of koorts had, knoopte een lapje stof aan de takken van de boom (of liet dat doen door een familielid). De koorts zou dan “in de boom blijven hangen”, terwijl de zieke weer beter werd. Mensen bleven deze handeling herhalen, generatie na generatie. Later werd het ritueel ook wel gecombineerd met gebeden bij de kapel of het maken van kruistekens.

Maar naarmate de eeuwen vorderden, bracht de ontwikkeling van de moderne geneeskunde ook andere oplossingen voor ziektes. Medicijnen en ziekenzorg werden voor steeds meer mensen toegankelijk. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) raakte de kapel zwaar beschadigd, omdat er in de omgeving veel gevochten werd. De kapel werd niet meer herbouwd en de plek raakte langzaam een beetje in verval.

Toch bleef de boom een plek van hoop en genezing, zelfs nadat de muren van de kapel vervielen tot een ruĂŻne. Tot op de dag van vandaag hangen er nog lapjes aan de takken, stille getuigen van een praktijk die dus al eeuwenlang voortduurt. De Walrickkapel en de Koortsboom laten zien hoe pre-christelijke rituelen, het christelijke geloof en volksgebruiken kunnen samensmelten.

Er komen meerdere wandelroutes langs de Walrickkapel en de Koortsboom, waarvan ik zelf met veel plezier het “Familiepad Vennengebied” gelopen heb. Deze wandeling is 1,7 km lang en duurt ongeveer een uurtje (als je onderweg stopt om foto’s te maken). Het is een rolstoeltoegankelijke route, dwars door het natuurgebied de Overasseltse en Hatertse Vennen. Dat betekent dat je in de nazomer en herfst kunt genieten van het heidelandschap in allerlei tinten paars, rood, geel en oranje.

Er staan veel bankjes langs het pad en de markeringen zijn goed aangegeven. Vlakbij stopt er een streekbus en er zijn twee gratis parkeergelegenheden, waarvan eentje bij Restaurant St. Walrick. Koffie en lunch heb je dus ook binnen handbereik. 😉

Dit is bovendien een ideaal uitstapje bij wisselvallig weer, want je kunt op een paar plekken schuilen voor de regen (en anders ben je snel weer bij je auto of bij het OV). Wat mij betreft is het een heerlijke historische plek. Of je nu komt voor de vroegchristelijke legende of voor de kleurrijke natuur! 🙂

Glasstad, glasmuseum en glasblazerij

Dat kan maar betrekking hebben op één Nederlandse stad: Leerdam! Op weg naar een andere afspraak, maakte ik er een uitgebreide tussenstop om bij het Nationaal Glasmuseum alles te leren over het ambachtelijke glasblazen.

Het feest begint buiten het museum al, want op het parkeerterrein staat “De Tempel” van Hans van der Pennen (een enorm kunstwerk uit 1990). Het trekt meteen je aandacht en als je dichterbij komt, zie je steeds meer gekleurde stukken glas in het bouwwerk. Direct naast het Glasmuseum staan fabriekshallen waar vandaag nog steeds glas verwerkt wordt. Je ziet de grondstoffen en afvalproducten buiten liggen.

Eenmaal in het museum, kom je van alles te weten over de glasindustrie. Van Leerdam natuurlijk, maar ook van andere steden en plekken. Je maakt er kennis met een aantal hoofdpersonen, zoals Petrus Marinus Cochius (toenmalig directeur van de glasfabriek, het museum is in zijn voormalige woonhuis gevestigd) en Karel de Bazel (gerenommeerd architect en glaskunstenaar). Je ziet veel voorwerpen die met het productieproces te maken hebben, zoals grondstoffen en houten mallen.

Beneden, bij de cafetaria, staat een grote glascaleidoscoop. Als je met je hoofd in de tunnel naar voren kijkt en aan de drie wielen draait, verandert het beeld constant met drie verschillende platen (een achtergrond en twee patroonplaten). Ik kan daar echt uren naar kijken. 🙂

In de tuin(huisjes) is momenteel de tentoonstelling “Inflatable Thoughts” (“Opblaasbare Gedachten”) van Marinke van Zandwijk te zien. Een hoop kleurrijke bubbels en bobbels, vrij hangend en rollend, of juist geblazen in een kooitje.

Ook binnen hangt er werkt van haar. Wat mijn aandacht trok, was haar glasversie van de Rorsachplaten. Dat zijn die bekende plaatjes van suggestieve vlekken die in de psychologie gebruikt worden. De cliĂ«nt interpreteert de afbeelding op de kaart en vertelt wat de vorm oproept. De behandelaar komt dan meer te weten over het karakter en de denkwijze van de cliĂ«nt. Hoewel de waarde van de Rorsachplaten betwist wordt, worden ze nog steeds gebruikt in de psychiatrie. De glasversie van de Rorsachplaat met de meeste kleuren, vult een hele wand in het museum. Zie de linkerfoto. En of je nou interpreteert of “alleen maar kijkt”, dat ziet er prachtig uit.

Op de overige verdiepingen van het museum is er aan glaskunst geen gebrek, je loopt continu langs het open depot (vitrinekasten met collecties). Op zolder is het werk van Mieke Groot uitgelicht, in de tentoonstelling “Van Klein naar Groot”. Daar zitten veel stukken bij die je zou willen aanraken; met ribbeltjes, bolletjes en laagjes. Maar kijken doen we natuurlijk met onze ogen. 😉

Deel II van het avontuur is een bezoek aan de glasblazerij, die je bereikt door een korte wandeling door Leerdam. Dit hoort bij het museum, maar het is tegelijkertijd een werkplek waar glasblazers en kunstenaars opdrachten en/of eigen werk vervaardigen. Bezoekers zien de vakmensen dus letterlijk aan het werk; er wordt niet zomaar iets gemaakt wat vervolgens weggegooid wordt. Je neemt plaats op een tribune en je blijft zitten zo lang je wil. Er wordt ondertussen uitleg gegeven bij het proces van het glasblazen, zodat je leert hoe glas gemaakt wordt. We mochten op een gegeven moment langs de werkplekken lopen, waar we van de glasblazers meer informatie kregen over de ovens en de gereedschappen. Hoogtepunt (in ieder geval betreft de temperatuur) was dat we ook een kijkje mochten nemen in de oven waar het vloeibare glas in zit. Een heel kort kijkje, want je steekt je hoofd in een oven waarbinnen het 1250 graden is. Unieke ervaring! De werktemperatuur is overigens nog steeds 1130 graden (!).

Op de dag van mijn bezoek was meesterblazer Gert Bullée aan het werk. Hij heeft ontzettend veel vragen beantwoord, ook van mij (haha). Ik wilde bijvoorbeeld weten of de werkwijze anders is voor linkshandigen. Dat kan, soms staat de opstelling gespiegeld voor een linkshandige blazer (en werkt de blazer dus de andere kant op). Maar meestal maakt de dominante hand niet uit; leerlingen beginnen vanaf 0 dus kunnen zichzelf makkelijk aanleren om de gereedschappen met beide handen te hanteren. Interessant, toch?

Die dag werkte hij samen met kunstenaar Hans Muller aan diens patatbakjeslamp. Ja, dat is precies wat je denkt dat het is. Wie altijd al een uniek glazen object in huis had willen hebben, moet maar eens op de website van Gert Bullée kijken (klik hier voor een impressie). Wat een ambachtelijke kunstwerken, ik vind het zo knap! Of bezoek de website van Hans Muller voor de patatbakjes (klik hier).

Het was een leerzame en inspirerende dag in Leerdam. Van meesterproef tot designobject en van koelovens tot blaaspijpen; ik heb echt genoten van wat ik allemaal gezien heb. Aanrader dus!

Open Monumentendagen 2025

De jaarlijkse traditie! Meestal bezoeken wij op zaterdag iets in een andere provincie en op zondag iets in de buurt. Maar dit jaar bleef ik het hele weekend dicht bij huis en herontdekte ik Alkmaar.

Als eerste bezocht ik de WO2-bunker R616 die aan de rand van de Alkmaarderhout ligt. Dit is een telefoonbunker, gebouwd door de Duitsers in 1943. Het bouwwerk vormde een belangrijk knooppunt in het telefoonnetwerk van de Atlantikwall, met communicatielijnen tussen o.a. Den Helder, Schagen, Alkmaar, Haarlem en Amsterdam.

Deze bunker heb ik waarschijnlijk meer dan 1000 keer van buiten gezien, maar dit weekend pas voor het eerst van binnen. Er zit een klein museum in, waar veel authentieke spullen tentoongesteld worden. Vanaf nu zal ik het verhaal van deze bunker meenemen in mijn lessen over de WO2. Veel leerlingen komen hier namelijk dagelijks langs.

Vervolgens liep ik naar binnen bij het Hofje van Splinter.

Dit hofje werd in 1646 opgericht met de erfenis van Margaretha Splinter. Het moest onderdak bieden aan “ongehuwde vrouwen van goede komaf” en dat is vandaag nog steeds zo. Het ligt aan het Ritsevoort, op de plek waar Margaretha zelf heeft gewoond. Het hofje is gebouwd in Hollandse renaissancestijl en heeft een rustige binnentuin omringd door eenvoudige woningen. Een mooi voorbeeld van levend erfgoed!

Ook het Stadhuis van Alkmaar opende haar deuren.

Volgens mij mochten bezoekers werkelijk iedere zaal bekijken, want de looproute voerde langs alle verdiepingen. Een prachtig pand. Ik moest een beetje gniffelen om het thema “kaas” dat op verschillende plekken terugkomt in het gebouw, bijvoorbeeld in plafondschilderingen en aan de muren. Alkmaar is niet vergeten dat de eeuwenlange kaashandeltraditie heeft bijgedragen aan het succes van de stad.

Dan een heel ander monument: het logegebouw van de Alkmaarse Vrijmetselaars.

Ik had werkelijk géén idee dat dit bestond in de binnenstad. Wat de vrijmetselaars zijn weet ik wel, omdat ik een paar jaar geleden onderzoek deed naar het gedachtegoed van de Illuminaten uit Ingolstadt (Duitsland).

Maar zo ver gaan ze in Alkmaar niet. Hier komen de vrijmetselaars samen om, zoals zij het stellen, te werken aan persoonlijke groei, moreel bewustzijn en onderlinge verbondenheid. In hun logegebouw worden daarom lezingen en symbolische rituelen georganiseerd. Een belangrijk kenmerk van de vrijmetselarij, is dat zij leven zonder dogma’s en ruimte bieden voor ieders overtuiging/religie. Maar ze hebben hiervoor dus wel een tempel: een ruimte vol symboliek en stilte. Hier kunnen leden in alle rust reflecteren en aan zichzelf werken. Heel interessant om hier een keer geweest te zijn.

Het begon buiten te regenen, dus ik rende door naar de volgende locatie: het Hof van Sonoy.

Het Hof van Sonoy was oorspronkelijk een klooster en werd in 1574 gekocht door Diederick van Sonoy, een belangrijke figuur in de Tachtigjarige Oorlog. Later werd de markante achthoekige toren erbij gebouwd. Door de jaren heen diende het hele complex als diaconiehuis, woonruimte en/of horeca. Voor Open Monumentendag ging speciaal de toren open en die moest ik uiteraard even beklimmen.

Daarna heb ik nog twee voormalige pakhuizen bezocht, één waar tegenwoordig een architectenbureau in huist en één die nu als kunstgalerij gebruikt wordt.

Het eerstgenoemde gebouw staat ook wel bekend als Pakhuis de Korenschoof. Wederom een prachtig pand, met een vide op de bovenste verdieping waar de authentieke, massieve houten balken dwars doorheen lopen.

Op straatniveau is in de vloer een venster op het verleden aangebracht. Letterlijk. Je loopt hier namelijk over een blootgelegd stukje van de fundamenten en ziet daar verschillende aardewerken voorwerpen liggen. Het trok meteen mijn aandacht!

Als laatste beklom ik nog de Accijnstoren aan de Bierkade.

De Accijnstoren is een vroegmodern torentje dat in 1622 gebouwd is in de renaissancestijl. Oorspronkelijk fungeerde het gebouw als belastingkantoor waar accijnzen -belastingen dus- werden betaald op goederen die per schip de stad binnenkwamen. Denk dan aan bier, kaas, touw en textiel.

Een bijzonder verhaal is de verplaatsing van de toren in 1924. In dat jaar is het hele gebouwd ruim 4 meter naar achteren gerold, omdat de Bierkade verbreed moest worden en de toren daarbij “in de weg stond”. Ongelofelijk hoe ze dat destijds voor elkaar hebben gekregen! Vandaag zit hier het kantoor van de havenmeester.

Tijdens de jaarlijkse Open Monumentendagen kan iedereen (gratis) een kijkje nemen achter historische deuren die normaliter gesloten blijven. Ook musea, molens, kastelen, kerken en woonhuizen doen mee. Dit is ontzettend waardevol, omdat het mensen enthousiast maakt voor erfgoed en geschiedenis. In het hele land maken vrijwilligers dit evenement mogelijk en daar ben ik ze heel dankbaar voor. 🙂

Even spieken bij de Overijsselse spiekers – Inclusief wandeltip

Wie ons op Instagram volgt, heeft al gemerkt dat een Overijsselse spieker géén frauderende student is, maar een vroegmodern type gebouw. Het gaat om een speciaal type huis, dat oorspronkelijk niet per se bedoeld was als woonhuis. Zelfs de benaming “spieker” verdween met de tijd, want vanaf ongeveer 1850 werd er simpelweg gesproken van “buitenhuis” of “buitenplaats”. Wat is dat dan, een spieker?

Een spieker was bedoeld als opslagplaats voor koren/graan. Het woord komt van het Latijnse spicarium; dus een plek waar spicae (korenaren) werden opgeslagen. Een brede betekenis van spieker is dan een graanschuur of een voorraadschuur, met maximaal twee extra verdiepingen. Spiekers waren in de middeleeuwen altijd in bezit van rijke grondbezitters, omdat zij hierin de tienden (belastingen) van hun pachters bewaarden. Omdat de pacht veelal betaald werd in natura en niet met geld, had je daarvoor een opslagschuur nodig in plaats van een portemonnee.

De grootgrondbezitters woonden lange tijd zelf in de nabijgelegen steden, zoals Zwolle en Deventer. Aanvankelijk was een spieker dus geen woonhuis. Het is een typisch rivierenfenomeen uit Overijssel, want de spiekers stonden langs de IJssel en langs de Vecht. In mindere mate kwamen ze ook voor langs de IJssel in Gelderland en in de noordelijke provincies. In de rest van het land bestonden er alternatieve constructies voor het opslaan van de pacht, bijvoorbeeld de “tiendenschuren” (die nooit als woonhuis gebruikt werden).

Voor zo ver we ontdekt hebben, stamt de oudste datering van een spieker uit de hoge middeleeuwen. Gevers en Mensema schrijven daarover:

“De oudst bekende vermelding van een spieker in Overijssel dateert van 1280. In dat jaar trad een zekere Johan van ‘t Spieker op als getuige in een conflict voor de richter en schepenen van Deventer over een schenking aan de abdij van Sint MariĂ«nhorst bij Ter Hunnepe nabij Deventer. Met dit spieker zal ongetwijfeld de bergplaats bedoeld zijn die de Utrechtse bisschop -toentertijd de landsheer van Overijssel- bij zijn hof te Deventer had laten bouwen.”

Daaruit blijkt met zekerheid een connectie tussen politieke macht, landbezit en het voorkomen van spiekers. Documenten uit de 14e en 15e eeuw bevestigen dit ook nog eens. In 1494 wordt bijvoorbeeld geschreven over de opbouw van het verbrande “saetspyker”, waarmee het gebouw bij het (bisschoppelijk) Hof te Colmschate bedoeld werd.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werden de voorraden in de spiekers dikwijls ingezet als bevoorrading voor soldaten. Maar let op, het waren vooral de Spanjaarden die de Overijsselse oogst claimden of innamen. De lokale bevolking kon daar niets tegen beginnen, dergelijke praktijken waren namelijk onderdeel van het oorlogsrecht van die tijd (en dus tot op zekere hoogte toegestaan). Na de herovering  van de stad Oldenzaal in 1626-1628 veranderde dat, omdat het aantal Spaanse soldaten in Overijssel toen drastisch verminderde. Dat betekende meer rust en stabiliteit voor de plattelandsbevolking. Edelen keerden terug naar hun landhuizen en gingen hun spiekers zelf weer beheren.

Een eeuw later veranderde er weer iets. De Overijsselse spiekers werden steeds vaker omgebouwd tot buitenhuis. Hoe meer belastingen er met geld betaald werden, hoe minder functie de voorraadschuren kregen. Met de tijd lag er letterlijk steeds minder in opgeslagen en hadden de eigenaren dus “ruimte over” in het gebouw. In de Franse Tijd (1795-1815) verdwenen ook de traditionele politieke rechten die er altijd aan spiekers en havezaten verbonden waren geweest. Met andere woorden, het onderscheid met een normaal buitenhuis vervaagde omdat de spiekers minder gebruikt werden als opslagruimten en omdat er uiteindelijk ook geen privileges voor de eigenaren meer bij hoorden.

Spiekers hadden enkele algemene kenmerken. Er was bijvoorbeeld altijd een “bewaarder” op het terrein aanwezig ter bewaking van de opgeslagen goederen. Wanneer er dranken zoals bier en wijn bewaard werden, dan werd hiervoor meestal een kelder aangelegd. Gewassen zoals uien werden- niet geheel verrassend- juist aan plafondbalken te drogen gehangen. En om het geheel nog eens extra te beschermen tegen beesten en beestachtige schurken, werd er vaak een gracht gegraven. Dan werd de plaats ook wel aangeduid met “pol”, “berg”, of “belt”. Het meest efficiĂ«nt was om de spieker direct bij een boerenerf te bouwen, want dan hoefde men niet ver te reizen met de gewassen en de goederen. Spiekers werden gedecoreerd met torentjes, maar omdat we zeer weinig tekeningen hebben van de authentieke gebouwen is het moeilijk te zeggen of dit gangbaar was, of juist uitzonderlijk. In ieder geval was een spieker wel een zeer herkenbaar type gebouw.

We zoomen even in op Dalfsen. Terwijl er in de 18e eeuw nog volop spiekers gebruikt werden als buitenplaats, waarbij ook de meest prachtige landschapstuinen werden aangelegd, waren de meeste een eeuw later toch verdwenen. De tijden waren veranderd. De Industriële Revolutie van Nederland bood veel kansen op rijkdom, maar een faillissement lag ook altijd op de loer. De families die zich geen luxe buitenhuizen meer konden veroorloven (en hun spieker uit schaamte niet wilden verkopen aan een ander), lieten ze verloederen of slopen. Het kleine aantal spiekers dat overbleef, werd steeds vaker gebruikt als permanent woonhuis. Soms werd een compromis gevonden in het afbreken van de authentieke spieker en het toevoegen van efficiëntere nieuwbouw op dezelfde plek. Een voorbeeld hiervan is Huize Ankum, dat rond 1859 transformeerde tot de buitenplaats Hofwijk. Ook bleef er een handjevol spiekers over dat de functie van algemene opslagplaats kreeg, maar dan voor de omliggende boerenerven. Deze spiekers werden juist niet bewoond, waardoor degradatie eveneens op de loer lag.

De Aalshorst
Huize de Horte

Tijdens mijn verblijf in Dalfsen heb ik twee spiekers bezocht: één authentieke spieker (De Aalshorst) en één buitenplaats met spieker (De Horte). De Aalshorst in de buurtschap Millingen is één van de best bewaarde spiekers uit de 18e eeuw. Dit gebouw is vrij te bekijken vanaf de buitenkant, maar moeilijk te vinden en nog moeilijker met de auto te bereiken. Handiger is om langs het gebouw te fietsen of wandelen.

Omdat mijn navigatie het onverharde Aalshorsterpad niet kon vinden, heb ik op het kaartje hierboven de route vanaf de Heinoseweg aangegeven. Geloof mij, het is minder makkelijk te vinden dan het lijkt. Lange tijd lijkt het ook alsof je over privĂ©terrein rijdt/loopt, dus houd hier rekening mee. Bij speciale gelegenheden, zoals Open Monumentendag, is het gebouw geopend en is dus ook het interieur te bekijken. Ik verwacht dat er dan wĂ©l aangegeven staat hoe je moet rijden. Alle andere dagen blijft de Aalshorst een beetje een pareltje verscholen in het groen. 😉

Bij het gebouw hoorde een uitgebreide tuin met een “grand canal”. Vandaag ziet het eruit als een gewone sloot, maar met een beetje fantasie zie je de rozenperken en de klassieke standbeelden eromheen staan. Achter het huis zijn nog altijd de oorspronkelijke moestuin en visvijver in gebruik.

Spieker de Horte maakte op mij meer indruk, omdat hier meer is opengesteld voor bezoekers. Er kronkelen twee mooie wandelingen (van 5,5 km en van 3,5 km) over het terrein, waarbij je langs dassenburchten, frisgroene weilanden, oeroude bossen en over tal van bruggetjes slentert. Beide wandelingen zijn zeer duidelijk aangegeven en voeren langs het spieker zelf. Huize de Horte is dus niet te missen. Het landgoed ligt in de buurtschap Emmen. Het beschikt over een gratis parkeerterrein voor bezoekers en is eenvoudig te bereiken vanaf de Kroesenallee.

Het terrein is al sinds mensenheugenis een landgoed, want in een document uit 1391 lezen we dat ene Dirk Bruggeman vier morgen “opper Horten” met een hofstede (te Emmen) schonk aan het Agnietenbergklooster bij Zwolle. De boerderij staat er minstens sinds 1520; want deze kreeg de streeknaam “De Horte”, vernoemd naar een opvallende bocht/horde in de waterloop van de Emmertochtsloot. Dit waterrijke gebied zorgt overigens voor de prachtige natuur rondom De Horte.

Geschat wordt dat het spieker op de Horte door de familie Thomassen-Theussink tussen 1649 en 1667 gebouwd is. Na een aantal eeuwen van wisselend eigendom, werd het landgoed uiteindelijk in 1974 door erfgenamen verkocht aan de tegenwoordige beheerder: de stichting Het Overijsselsch Landschap. De Horte bestond bij deze verkoop uit maar liefst 51 hectare grond. Op het terrein staan naast Huize de Horte ook nog een tuinmanswoning met koetshuis en stallen en een B&B (Het Witte Huis). De uitgebreide Franse (moes)tuin inclusief mammoetboom, de watergangetjes en de lange bomenlanen horen er ook allemaal bij.

Alle paden zijn goed onderhouden, de paaltjes met de route zijn niet te missen en op meerdere plekken staan bankjes om even te pauzeren. Wie durft, kan zelfs plaatsnemen op een bankje dat boven (!) het water hangt. En langs de route kom je overal dieren tegen: koeien, paarden, schapen en heel veel verschillende vogels. Extra leuk is het gebied in de lente, want ik zag ook kalfjes, veulens en lammetjes in de wei. Kortom, het was een genot om hier te wandelen. 🙂

Bron:

  • Mensema, A.J., & Gevers, A.J., ‘Spiekers in Dalfsen’, in: Hove, J., ten, Pereboom, F. & Stalknecht, H.A. (red.), Uit de Geschiedenis van Dalfsen (Kampen: IJsselakademie 1989) 213─246.