Vorige week zag ik op tv iets interessants voorbijkomen. Ik kijk zelden tv, maar bij dit programma bleef ik plakken vanwege de taal die ik hoorde. Het was een Scandinavische documentaire, dat was zeker, maar er werden zowel Zweedse als Noorse plaatsnamen genoemd. Ik had het begin gemist en besloot de hele aflevering terug te kijken via NPO Start. Het bleek een waanzinnig verhaal, treffend vastgelegd door regisseur Maria Fredriksson. Hieronder vertel ik er meer over, zonder het einde te verklappen.
Twee bejaarde Noorse zussen, Kari en May, besluiten min of meer noodgedwongen een appartement te kopen in het Zweedse plaatsje Gullspång. De bezichtiging krijgt een onverwachte wending wanneer de verkoper –een Noorse vrouw genaamd Olaug– een opvallende gelijkenis vertoont met hun overleden zus Astrid. Niet alleen qua uiterlijk, maar ook qua details, zoals haar geboortedatum en bijnaam. Maar Astrid zou in 1988 zelfmoord hebben gepleegd. Voor de strenggelovige zussen kan deze ontmoeting geen toeval zijn: ze noemen het een mirakel.
Deze ervaring zet iets in beweging. Langzaam komen vragen naar boven over hun familiegeschiedenis en over wat hen jarenlang verteld is (en wat juist verzwegen werd). In de documentaire worden oude verhalen opnieuw bekeken. Geloof, herinnering en familiebanden raken met elkaar verstrengeld. Maar er ontstaat ook onenigheid. Kari en May zijn aan de ene kant van een fjord opgegroeid, Olaug juist aan de andere kant daarvan. Zo dichtbij, maar toch ook mijlenver van elkaar verwijderd.
De trailer van de documentaire (2024)
Het verhaal krijgt vorm door gesprekken en voicemailberichten rechtstreeks te laten zien en horen. De kijker krijgt de puzzelstukjes één voor één aangereikt en het wordt steeds gekker. Eén van de puzzelstukjes relateert aan de experimenten die de nazi’s uitvoerden op tweelingen in de gebieden die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog bezetten (zo ook Noorwegen). Een ander puzzelstukje heeft weer te maken met een dubieuze DNA-test.
Kortom, een krimi-drama waar je u tegen zegt. De documentaire heeft dan ook diverse prijzen gewonnen. Wie hem zelf ook nog gratis wil bekijken, kan tot 27 september terecht op NPO Start (klik hier). Daarna verdwijnt de docu achter een pay wall, dus wacht niet te lang!
Historisch correct?
Geschikt en nuttig voor leerlingen?
Niet van toepassing.
Minder geschikt voor geschiedenislessen, maar wel waardevol voor maatschappijleerlessen. Vooral leuk voor de bovenbouw.
Wat moet je als koffieleut doen als koffiebonen schaars of moeilijk te verkrijgen zijn? Tegenwoordig zijn er veel alternatieven om dan toch aan je dagelijkse dosis cafeïne te komen, zoals energiedrankjes. Maar vroeger was dat lastiger. In tijden van schaarste en oorlog bedachten mensen vindingrijke oplossingen. Eén van de bekendste alternatieven waarmee “koffie” gemaakt werd, was chicorei.
Cichorium Intybus
Cichorium Pumilum
Chicorei wordt ook wel gespeld als cichorei, maar beide woorden verwijzen naar de plant Cichorium Intybus. Het is een plant die oorspronkelijk uit het Zuidwesten van Azië en uit Zuidoost-Europa komt, maar met de eeuwen op veel meer plekken begon te groeien. De wilde versie van chicorei groeit van nature in graslanden, maar doet het ook goed in bermen. Zo kan de plant dus ook makkelijk groeien in het gematigde Nederland.
Deze plant wordt al eeuwenlang door de mens gebruikt. De Romeinen gebruikten het loof als groente, maar gooiden de wortels weg. Zonde, weten we nu, want vanwege de bittere smaak van de wortel kun je chicorei dus ook gebruiken als surrogaat (vervanger) voor koffie. Deze toepassing werd waarschijnlijk ontdekt aan het einde van de 18e eeuw. De wortel van de chicoreiplant wordt dan gedroogd, geroosterd en gemalen. Zo ontstaat er een donkerbruine drank die enigszins smaakt als koffie, hoewel de smaak niet zo ‘rijk’ of ‘robuust’ is als van echte koffie.
Door de lage productiekosten en het relatief eenvoudige kweekproces, werd chicorei al snel een populair alternatief voor het luxe cafémomentje van de gegoede burgerij. Vervolgens duurde het ook niet lang voordat chicorei in de bakkies pleur van de minder rijke mensen terechtkwam. Een schaarste aan koffiebonen vindt, niet geheel verrassend, vaak plaats in oorlogstijd. We weten bijvoorbeeld dat chicoreikoffie gretig gedronken werd tijdens de Napoleontische Oorlogen, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Zo bood dit plantje in moeilijke tijden (een bakkie) troost aan alle lagen van de bevolking.
Goed, maar wat is dan de link met Dalfsen? Die is vandaag niet zo makkelijk meer uit het straatbeeld af te leiden, maar het zitbankje aan de Raadhuisstraat (met prachtig uitzicht over de Vecht) geeft alvast een kleurrijke hint. Dit bankje toont namelijk een impressie van de chicoreifabriek die in de tweede helft van de 19e eeuw in Dalfsen gevestigd werd, omlijst door chicoreibloemetjes. Het staat bewust naast de Blauwe Bogen Brug, omdat je daardoor uitkijkt over de uiterwaarden waar deze fabriek ooit stond. Met andere woorden, als je op het bankje zit, “kijk” je naar de oude fabriek.
Berend Hendrik Egberts was degene die de verwerking van chicorei naar Dalfsen bracht. In januari 1857 begon hij met de fabricatie in een pand aan de Zwolscheweg (de huidige Ruitenborghstraat); een ruimte die waarschijnlijk onderdeel van de toenmalige weverij was. Aanvankelijk werd de chicorei -enigszins primitief- gemalen door middel van een rosmolen. Er is niet veel bekend over de eerste jaren van de chicoreiproductie in Dalfsen, maar een nota uit 1858 vertelt ons wel dat er in dat jaar 4825,5 Engelse ponden cichorei voor een prijs van ƒ484,75 aan diverse afnemers in Overijssel en Gelderland geleverd werd.
Even later ging Egberts op zoek naar een ander pand, wellicht omdat het bedrijfje uit zijn voegen barstte of misschien omdat de locatie hem niet meer beviel. Omdat het efficiënt was om de chicorei over het water te vervoeren, zocht hij zijn nieuwe stekje langs de Vecht.
De Vecht bij Dalfsen, in de verte Kasteel Rechteren
Er is een brief van 13 juli 1863 bewaard gebleven waarin Egberts aan de gemeenteraad vraagt of hij een echte chicoreifabriek mag bouwen op een stuk land langs de rivier, zodat de fabriek door stoomkracht gedreven kon worden. De Gedeputeerde Staten gingen spoedig akkoord met zijn verzoek, onder de voorwaarden dat de fabriek binnen een jaar in werking moest zijn en dat het stoomtuig (periodiek) gekeurd moest worden.
Zo gezegd, zo gedaan en in april 1864 kocht Egberts het stukje buitendijks land waar hij zijn oog al op had laten vallen. Sterker nog, op het moment van de aankoop had Egberts zijn fabriek hier vermoedelijk al gebouwd, wat blijkt uit de “eerste steen” van de fabriek, waarop de frase “15-07-1860 door J.E.B. Egberts” zichtbaar is. Deze steen moet destijds door de jonge zoon van Egberts aan het bouwwerk toegevoegd zijn, zoals dat wel vaker gebeurt bij familiebedrijven. Dat de officiële vergunningen achterbleven bij de daadwerkelijke bouw van de fabriek, kwam vroeger ook wel vaker voor. Zoiets is door de bureaucratie van vandaag onmogelijk geworden. 😉
Buitendijks land bij Dalfsen
Uiterwaarden van de Vecht
In de decennia daarna werd de fabriek nog uitgebreid, weer verkleind en weer uitgebreid onder toezicht en beheer van verschillende directeuren en partners. Concurrentie in de vorm van thee en koffiestroop bracht moeilijkheden. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog leek het alsof de Nederlandse chicoreiproductie weer zou opleven, maar helaas verboden de Duitsers de vrije verkoop van chicorei (en tal van andere levensmiddelen) tijdens de bezetting.
Kort na de oorlog werd koffie echter steeds duurder en daardoor ontstond er wél tijdelijk meer vraag naar cichorei. Op dit moment waren er in Nederland nog drie cichoreifabrieken: in Ossendrecht, in Leeuwarden en in Dalfsen. De fabriek in Dalfsen was hiervan de grootste. De verwerkte cichorei werd uitgevoerd naar Amerika, Canada, Australië, India en diverse landen in Afrika. Toch werd de internationale concurrentie steeds heviger, vooral van Franse producenten. Frankrijk had haar zinnen namelijk gezet op het veroveren van de wereldmarkt en verkocht chicorei in haar eigen koloniën steevast onder de vraagprijs. De Nederlandse fabrieken konden daar niet tegenop.
Cichorei van De Beukelaar uit Ossendrecht
Cichorei van Egberts uit Dalfsen
Verrassend genoeg werd de meeste chicorei uit Dalfsen verkocht aan India. In samenwerking met de Indiase regering werden er plannen ontwikkeld om de cichoreicultuur ter plekke te starten, waarvoor de N.V. Egberts te Dalfsen de grondstoffen dan zou blijven leveren. En ja hoor, op 9 juli 1962 werd de Indiase cichoreifabriek met de naam “Egberts India Private Ltd” geopend. Wat veelbelovend begon, sloeg helaas binnen 3 jaar weer om. Oorlogen op het Aziatische continent, waaraan ook India ging meedoen, maakten zowel de lokale productie van chicorei als de import van Nederlandse chicorei onmogelijk. In combinatie met de nog altijd oprukkende Franse concurrenten, betekende dit het einde van de chicoreiproductie door het familiebedrijf van Egberts in Dalfsen. De voorraden werden overgenomen door het Franse Chicorée Leroux uit Orchies.
Eén troost is dat de naam Egberts nog op de verpakkingen staat van de latere doorstartfabriek in India. Op hun chicorei staat namelijk vermeld dat het product vervaardigd is “onder know-how van Egberts te Dalfsen (Holland)”. En zo leeft dit stukje historisch Dalfsen nog altijd voort op een ander continent. 🙂
Cichoreibereiding, prent door Louise Danse (1890)
Echte koffie wordt vandaag eigenlijk nog steeds beschouwd als een soort luxeproduct, dat in verschillende kwaliteiten (en bijbehorende prijsklassen) te koop is. In Nederland hebben we sinds de jaren ’50 geen koffieschaarste meer gehad, maar toch is het gebruik van chicorei nooit gestopt. Sterker nog, vandaag de dag wordt chicoreikoffie juist weer in toenemende mate als gezonde, prebiotische drank aangeprezen. Hebben jullie het weleens geprobeerd?
Bron:
Halfman, C.Z., ‘Verdwenen Industrieën’, in: Hove, J., ten, Pereboom, F. & Stalknecht, H.A. (red.), Uit de Geschiedenis van Dalfsen (Kampen: IJsselakademie 1989) 355─370.
Eergisteren bezocht ik Kasteel het Nijenhuis in Heino, Overijssel. Hier vind je een constante combinatie van kunst en historie: in het gebouw, in de collectie en in de beeldentuin rondom.
Kasteel het Nijenhuis is eigenlijk een havezate. Het is één van de best bewaarde middeleeuwse borghoven van Overijssel en de buitenkant is meteen al indrukwekkend. De eerste vermelding van het kasteel dateert uit 1382, maar het huidige aanzien is het resultaat van diverse bouwfases. Het begon met een middeleeuwse kern en transformeerde via talloze uitbreidingen en ingrepen door adellijke families tot het huidige kunstkasteel. Na een periode van verval werd het landgoed in de 20e eeuw gered dankzij de inspanningen van kunstverzamelaar Dirk Hannema, die het kasteel vanaf 1958 tot zijn dood in 1984 bewoonde en zorgde voor de restauratie ervan. Onder leiding van architect Gunnar Daan onderging Het Nijenhuis in 2003 een herinrichting tot museum, waarna het sinds 2004 is opengesteld voor publiek.
Binnen de muren van het kasteel heeft Museum de Fundatie (met basis in Zwolle) ervoor gezorgd dat een deel van de rijke kunstcollectie van Dirk Hannema wordt tentoongesteld. Zo zijn er schilderijen, tekeningen, sculpturen en toegepaste kunstwerken uit diverse tijden en culturen te zien. Er is een vaste presentatie en er zijn regelmatig wisseltentoonstellingen. Mooie stukken die mij persoonlijk opvielen waren een Picasso, een graffiguur van een paard uit de Chinese Tang-dynastie (619-906), een ambachtelijke vleugel en een (stilleven met) dooie vis.
Buiten gaat het feest verder. Rondom het kasteel strekt zich een uitgebreide beeldentuin uit, die ook prima te bewonderen is als het een beetje regent. In deze siertuin staan meer dan honderd sculpturen van nationale en internationale makers.
Opvallend is het “Wilhelminabeeld“, vervaardigd door beeldhouwer Mari Andriessen. Het verbeeldt koningin Wilhelmina als symbool van standvastigheid en nationale identiteit. Ik weet dat er vele (kleinere) kopieën van zijn gemaakt, want ik ben dit beeld al vaker tegengekomen in musea en kastelen. Ook “De Zilveren Bol” springt in het oog, een sculptuur van Adriaan Rees. Het spiegelende kunstwerk vormt, aldus de kunstenaar, “een eigentijds tegenwicht voor de historische omgeving”.
En inderdaad. Ik heb het naar mijn zin gehad in deze geslaagde combinatie van kunst, geschiedenis en kunstgeschiedenis. 🙂
De eerste upload van 2025 is een feit! En meteen duiken we in mijn favoriete onderwerp: de erfenis van de Vikingen. Die erfenis vinden we zelfs in Nederland, want in Utrecht staat een enorme runensteen.
Hoe kwam die kolos daar terecht en wat betekent de inscriptie? Leer het allemaal in de video hieronder.
Gisteren was het 35-jarig jubileum van de historische Val van de Berlijnse Muur (9 november 1989). Binnen twee jaar werd ook het zogenoemde “IJzeren Gordijn” afgebroken. Dit veranderde de Europese en wereldwijde politiek voorgoed.
Maar wat was dat “IJzeren Gordijn” precies? Omdat leerlingen dit ieder jaar een lastig onderwerp vinden, heb ik een tweetalige reeks met uitleg gemaakt.
Barbenheimer gaat aan mij voorbij, maar Oppenheimer heb ik vorige week wél in de bioscoop gezien. Je kunt overal recensies vinden over de betrouwbaarheid van de film, dus ik wil liever schrijven over de historische achtergrond ervan. Ook is er een link met Noorwegen, die in de film niet besproken wordt. Lees dus vooral verder.
Otto Hahn en Lise Meitner (1912). Foto uit het publieke domein.ID-foto van Otto Frisch voor werkzaamheden in Los Alamos. Foto uit het publieke domein.
In de jaren ’30 ontdekten Duitse wetenschappers hoe kernsplijting ontstaat. In 1938 toonden de natuurkundigen Otto Hahn en Fritz Strassmann met experimenten aan dat uraniumkernen kunnen splijten. Kort daarna gaven Lise Meitner en Otto Frisch hiervoor een theoretische verklaring en introduceerden zij de term “kernsplijting”. Simpel gezegd is kernsplijting het splitsen van een atoom in kleinere fragmenten, waarbij grote hoeveelheden energie vrijkomen. Zou je dit toepassen op oorlogvoering, dan kun je atoombommen creëren die in één keer hele gemeenschappen vernietigen.
In 1939 ontving de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt een brief van de natuurkundige Leó Szilárd, die mede was ondertekend door Albert Einstein. In de brief werd gewaarschuwd dat Nazi-Duitsland mogelijk onderzoek deed naar atoomwapens. Naar aanleiding van deze waarschuwing (en terecht gealarmeerd) steunde Roosevelt vervolgens eigen, Amerikaanse onderzoeken naar kernwapens. Iets later, namelijk in 1942, werd het “Manhattan-project” (het Amerikaanse nucleaire programma) officieel gelanceerd.
Speciale pin voor medewerkers van het Manhattan-project. Publiek domein.Replica van een “Fat Man”-bom. Publiek domein.
De geallieerden wilden achterhalen hoe ver de Duitsers nu echt waren met hun kernonderzoek. Duitse wetenschappers werden gevangengenomen en ondervraagd, archieven werden doorzocht, laboratoria werden overhoop gehaald. Uiteindelijk werden er technische tekeningen en documenten gevonden die verband hielden met kernsplijting en ging het gerucht dat er bommen waren getest in de bossen van Thüringen. Bevestigd werden de vermoedens echter niet. Na de oorlog werden er daarom ook ooggetuigenverslagen verzameld. Lokale bewoners verklaarden lichtflitsen gezien te hebben en sommigen hadden lichamelijke klachten. Maar tot op de dag van vandaag is er geen overtuigend bewijs gevonden voor dergelijke testen in Thüringen. De meeste historici beschouwen deze beweringen daarom als onbewezen.
Maar een ander belangrijk onderdeel van het Duitse kernonderzoek, is wél goed gedocumenteerd. Het speelde zich af in Vemork (Noorwegen) bij de fabriek van Norsk Hydro, waar zwaar water werd geproduceerd. Zwaar water is een speciale vorm van water waarin de waterstofatomen zwaarder zijn dan in normaal water. Het kan worden gebruikt om kernreactoren te laten werken, waarbij mogelijk plutonium kan ontstaan (dat dan weer geschikt is voor kernwapens). Voor de Duitsers was dit daarom een belangrijk materiaal.
Verzetsstrijders bij een filmpremière in 1948. Helemaal links Joachim Rønneberg.Norsk Hydro in Vemork vandaag. Foto uit het publieke domein.
Om de nazi’s te dwarsbomen bij de productie ervan, werden verschillende sabotageacties uitgevoerd door Noorse verzetsstrijders. Vaak werden ze gesteund door de Britse Special Operations Executive (SOE). Eén van de bekendste acties was “Operatie Gunnerside“, uitgevoerd door een groep commando’s onder leiding van Joachim Rønneberg in 1943. Daarbij werd een deel van de installatie vernietigd. Later werd ook een transport van zwaar water dat via een veerboot over het Tinnmeer werd vervoerd tot zinken gebracht. Deze acties zorgden ervoor dat de Duitsers maar beperkt over zwaar water konden beschikken.
Maandelijkse uitgaven aan het Manhattan-project, in miljoenen dollars. Publiek domein.ID-foto van Oppenheimer. Publiek domein.
Mogelijk hadden de onderzoekers van het Duitse kernprogramma beperkte middelen en kreeg het project geen hoge prioriteit van de regering. En dat de wetenschappers op verschillende locaties in Europa werkten, kwam de samenwerking niet ten goede. Bovendien weten we dat de Duitse onderzoeksgroepen relatief klein waren. Het Amerikaanse Manhattan-project beschikte daarentegen over enorme financiële middelen en duizenden wetenschappers, technici en arbeiders. Vooral in Los Alamos (New Mexico) werden grote vooruitgangen geboekt in de ontwikkeling van kernwapens. De wetenschappelijke leiding daar lag bij J. Robert Oppenheimer, een theoretisch natuurkundige met een specialisatie in kwantumfysica. Hij coördineerde de samenwerking tussen de wetenschappers en vertaalde theoretische ideeën naar een werkbaar ontwerp voor een kernwapen.
Slachtoffer van de dropping op Hiroshima. Foto uit het publieke domein.Opname van de dropping op Nagasaki. Foto uit het publieke domein.
In augustus 1945 werden deze kernwapens vervolgens door de Amerikanen ingezet tegen Japan. Er werden atoombommen gedropt op de steden Hiroshima en Nagasaki. De bombardementen veroorzaakten enorme verwoestingen en leidden direct tot tienduizenden doden. Maar het aantal slachtoffers liep nog jarenlang op, vanwege de straling en bijbehorende ziektes. Deze gebeurtenissen droegen bij aan de overgave van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Na de oorlog groeide Oppenheimer uit tot een omstreden figuur. In de media benadrukte hij steeds nadrukkelijker de negatieve, morele gevolgen van zijn werk. Hij verzette zich ook tegen de verdere ontwikkeling van kernwapens. Het is dus zijn verhaal dat we volgen in de film Oppenheimer. Centraal staat zijn rol in het Manhattan-project en zijn worsteling met de potentiële gevolgen van atoomwapens. Wat mij betreft is dat mooi in beeld gebracht. Als kijker moet je wel blijven opletten en enige historische achtergrondkennis hebben. De problematiek rondom Oppenheimers intieme relaties had van mij minder prominent aanwezig mogen zijn. De scènes met Jean Tatlock (gespeeld door Florence Pugh) zijn nogal ongemakkelijk en dragen beperkt bij aan het historische verhaal. Maar ach, het blijft een Hollywoodfilm. We moeten natuurlijk wel wakker blijven, te midden van al die droge kwantumfysica.
In de klas hebben de leerlingen de kaart van Afrika opnieuw ingetekend, net zoals dat in 1884-1885 gebeurde tijdens de Conferentie van Berlijn.
Deze Conferentie van Berlijn was een bijeenkomst van een aantal leiders van industrialiserende Europese naties. Onder andere het Duitse Rijk, België, Groot-Brittannië en Frankrijk waren aanwezig. Deze vier naties werden de hoofdrolspelers van het evenement, hoewel er nog meer landen vertegenwoordigd waren.
De Europese machten kwamen bijeen om “koloniale problemen” op te lossen (denk aan dubbele claims, gebrek aan industriële grondstoffen of juist gebrek aan afzetgebieden). Door het Afrikaanse continent onderling te verdelen, herdefinieerden ze de grenzen van Afrikaanse landen en creëerden ze tegelijkertijd nieuwe naties. De mensen die in deze gebieden woonden, waren nooit om advies gevraagd. Ze hadden niets te zeggen bij de creatie van deze nieuwe landsgrenzen. En dus sneden de lijnen dwars door stamgebieden en graasgebieden/migratieroutes van dierenkuddes, waardoor er automatisch nieuwe spanning ontstond onder de lokale bevolking.
Hoewel het tijdperk van dit moderne imperialisme nu achter ons ligt, vormen de afspraken uit de Conferentie van Berlijn nog altijd de reden dat sommige Afrikaanse grenzen er vandaag zo vreemd “recht” uitzien.
Als docent kun je dit vertellen en aanwijzen op de kaart, maar je kunt het de leerlingen ook zelf laten ontdekken. De klas speelt de Conferentie dan na en probeert zoveel mogelijk de belangen van het eigen land te behartigen. Met een paar kaartjes op tafel, zeiden ze dingen als “Ik claim dit stuk land, jij mag dat hebben!” en “Stop, dit is mijn territorium!”. Of, helemaal berekenend en tevreden met zichzelf: “Dat overige stukje kunnen we nog in tweeën snijden!”. Door hen na afloop met hun eigen uitspraken te confronteren, begrepen we aan het einde van de les allemaal hoe absurd de Conferentie van Berlijn eigenlijk was.
Als je dit zelf ook eens wil proberen, dan is de PDF van Barbaar Educatie meteen bruikbaar en goed functionerend (klik hier). Aanrader voor de lessen over kolonialisme!
Nog niet zo lang geleden stonden deze rakkers nog overal in cafés en kantines, maar vandaag zie je ze bijna nooit meer. Wie kent ze nog?
Een biljartklok is een hulpmiddel om (betaalde) potjes biljart bij te houden. Je gooide een muntstuk, bijvoorbeeld een kwartje of een dubbeltje, in de klokkast. De ballen bovenop de klok raakten dan los van hun houders. Je pakte de ballen eraf en kon dan vervolgens een vooraf ingestelde tijd spelen. Meestal was dat 30 minuten.
Na die 30 minuten, begon de klok te rinkelen als een wekker. Dan was het de bedoeling om de score of de tussenstand te noteren en de ballen terug te drukken in hun houders. De wekker stopte en daarna moest je bepalen of je zou stoppen, of nog een potje wilde spelen. Dan moest je natuurlijk wel weer een nieuw muntstuk in de klok gooien.
Je kocht dus eigenlijk je speeltijd. Dat had je in mijn jeugd ook nog, bijvoorbeeld met pooltafels en air-hockeytafels waar het speelmateriaal pas uit kwam wanneer je er een gulden of een euro ingooide. Schoot de bal of de hockeypuck in een gat, dan kwam hij er gewoon niet meer uit. Zelfde principe, maar dan in de speeltafel zelf.
Naast de biljartklokken bestonden er ook poolklokken, die uiteraard meer dan 3 ballen hadden en geschikt waren voor een potje pool. In bruine cafés werden de muntjes uit de klokken vaak gebruikt om nieuwe keus of lakens voor de speeltafels te kopen.
Hoewel de langste nacht altijd in december is, vindt het jaarlijkse evenement “De Nacht van de Nacht” landelijk plaats in oktober. Dit jaar deed ik voor het eerst mee en ik kon mijn arachnofobische vriendin Kim overtuigen om samen Fort Benoorden (Spaarndam) te bezoeken bij kaarslicht.
Fort Benoorden Spaarndam werd eind 19e eeuw aangelegd als onderdeel van de Stelling van Amsterdam, een verdedigingslinie die Nederland moest beschermen tegen vijandelijke aanvallen. Het fort bewaakte de belangrijke waterwegen en dijken rond Haarlem en kon het omliggende land (indien nodig) onder water zetten. Hoewel het nooit in gevecht is gebruikt, wordt het fort tegenwoordig behouden als industrieel-militair UNESCO-Werelderfgoed vanwege de educatieve waarde ervan.
Gisteravond lag alles er natuurlijk pikkedonker bij en die arme Kim kwam overal spinnen tegen. Wel extra bijzonder omdat het fort normaliter niet te bezoeken is. Het was spannend en leuk om op deze manier meer te leren over de plaatselijke natuurhistorie (vond ook Kim). Haha. 😀
Leuk nieuws! De mini-documentaire over de enclavegeschiedenis van Baarle is door Brabants Erfgoed opgenomen als onderdeel van hun collectie. Daarom is er nu een archiefpagina voor gemaakt (klik hier).
Ik vind het geweldig dat de video nu ook bereikt kan worden via Brabants Erfgoed. Dat maakt het voor geïnteresseerden absoluut makkelijker om de mini-docu te vinden!