Wanneer mijn leerlingen overwegen om geschiedenis of archeologie te studeren, kan ik ze helpen met hun eventuele vragen. Bij de studie archeologie hoort echter een sub-discipline waar ik weinig over weet, maar dat de laatste jaren wél aan populariteit wint: onderwaterarcheologie.
Omdat ik zelf ook met vragen zat, schakelde ik de hulp in van onderwaterarcheoloog Gary Bankhead. Ik nodigde hem uit in Leiden, waar ik hem mocht interviewen in Museum de Lakenhal. Gary is beroepsmatig brandweerman geweest en ging pas archeologie studeren aan het einde van zijn loopbaan. Omdat hij voor zijn werk in topconditie moest zijn en ook al jaren een ervaren scuba-duiker was, kon hij de stap naar onderwaterarcheologie makkelijk maken. Maar dit werk is niet voor the faint of heart, want het is wel degelijk iets anders dan traditionele archeologie.
Gary werkt inmiddels als professional mee aan de serie River Hunters op History Channel. In dit programma lijkt het allemaal zo makkelijk, maar in het interview hieronder schetst Gary een reëler beeld van het opgraven onderwater. Waar moet je allemaal rekening mee houden? En wat voor objecten kom je dan tegen onderwater? In ons gesprek staan zogeheten “lakenloodjes” centraal (Gary’s specialiteit). Deze objecten, die erg op munten lijken, onthullen Europese handelsnetwerken en vormen daarmee nieuw archeologisch bewijs voor contact tussen handelssteden. Gary heeft er een paar meegenomen naar Leiden om aan ons te laten zien. Geheel toepasselijk voor het onderwerp, vond het interview plaats in de Regentenkamer van Museum de Lakenhal: de exacte plek waar textiel uit Leiden vroeger gekeurd werd en een lakenloodje kreeg. Hoe mooi kan het zijn?!
Nederlandse ondertiteling beschikbaar via YouTube
Met dank aan Museum de Lakenhal voor het faciliteren van het interview.
Dit weekend vond het jaarlijkse internationale conferentieweekend van de Britse Finds Research Group (FRG) plaats in Leiden. Vanuit mijn connectie met de Universiteit Leiden mocht ik het volledige programma volgen… En wat heb ik genoten! We hebben workshops gevolgd in zowel Leiden als Haarlem en als kers op de taart gingen de deuren van het archiefdepot van het Rijksmuseum van Oudheden voor ons open. Het klinkt cliché, maar dat is voor historici en archeologen een absolute snoepwinkel waar je eeuwig zou willen blijven rondneuzen. Hieronder een kort verslag.
Vrijdag 10 november
Op de vrijdag begon het programma in het Rijksmuseum van Oudheden, waar de FRG welkom geheten werd door Annemarieke Willemsen (conservator collectie middeleeuwen). Er volgde een lezing omtrent de nieuwe wisseltentoonstelling “Het Jaar 1000: Nederland in het Midden van de Middeleeuwen”. Zo werden we alvast voorbereid op wat we daarna in het museum mochten bekijken. Persoonlijke favorieten waren de Ansfridus-codex (rijkelijk gedecoreerd met edelstenen) en de Scandinavische sieraden uit de hoogtijdagen van de Noormannen.
Vervolgens liepen we naar het archiefdepot van het RMO. Een hele unieke kans om de collectie van nabij te bewonderen. Natuurlijk is het meeste materiaal veilig opgeborgen in dozen en kasten, maar wat er momenteel onderzocht wordt staat uitgebreid uitgestald op tafels en planken (zo wordt het overzicht bewaakt tijdens het categoriseren en onderzoeken). Van scarabeeën tot kruiken, van Romeinse helmen tot vroegmiddeleeuws glaswerk. Schitterend om zo bij elkaar te zien! Speciaal voor mij en onderwaterarcheoloog Gary Bankhead werden de lakenloodjes van het RMO (letterlijk) uit de kast getrokken. Zo veel! Zo divers! Die moesten we even nader bekijken en filmen vanwege ons gezamenlijke filmproject, maar daarover volgen nog aparte berichten op de site.
In de middag verzamelden we bij het Textile Research Centre, waar we uitleg kregen over het belang van textiel en kleding als historische bron. Er was een wisseltentoonstelling over nachtmode door de decennia heen. Op de paspoppen zagen we authentieke Amerikaanse korsetjurken uit de jaren ’20, originele zijden shortama’s uit het naoorlogse Italië… en alles er tussenin. Zo beseften we ook gelijk weer hoe zeer cultuur en geschiedenis in kleding tot uiting komen.
Zaterdag 11 november
Op zaterdag pakten we de trein naar Haarlem, waar we eerst het Teylers Museum bezochten en vervolgens een wandeling met een gids door de binnenstad maakten. Beide plekken waar ik al vaak geweest ben, maar vandaag ontdekte ik toch weer nieuwe trivia. Dat blijft leuk. En in het Teylers was er een aantal atlassen van de fameuze kaartenmakersfamilie Blaeu uitgelicht. Ik laat mijn leerlingen altijd plaatjes uit hun atlassen zien, maar dit was de eerste keer dat ik de boekwerken in het echt zag. Wat een details!
We sloten de dag af in het Archeologisch Museum Haarlem, dat gevestigd is in een prachtige middeleeuwse kelder aan de Grote Markt. Bovendien is de entree gratis, dus pak dit museum zeker mee bij een volgend bezoek aan de stad. Na een gezamenlijk diner namen we de trein weer terug naar Leiden.
Zondag 12 november
De laatste dag van het conferentieweekend! De invulling hiervan was vrij. Gary Bankhead en ik hadden een afspraak in Museum de Lakenhal, waar we één van de indrukwekkende stijlkamers mochten gebruiken om een video op te nemen. En zo kwam het, dat ik Gary interviewde over zijn vondsten (in het bijzonder Europese lakenloodjes) op de plek waar het Leidse textiel vroeger gecontroleerd en gekeurd werd. Dus op dé plek waar het Leidse laken zo’n lakenloodje kreeg! Een schitterende samenloop van omstandigheden, waar we Museum de Lakenhal zeer dankbaar voor zijn. De video verschijnt binnenkort… dus stay tuned! In de namiddag vlogen de meeste leden van de FRG weer terug naar Engeland en pakte ik zelf de trein weer terug naar huis. Ik heb zo enorm genoten! Ik wil alle betrokkenen dan ook hartelijk bedanken voor de interessante bijeenkomsten.
Nu regent het veel te hard om te zoeken, maar laatst is het me toch gelukt om een verzameling rotzooi op te duikelen in België.
Het blikje kon ik niet identificeren, maar het zal wel van leverpastei, kattenvoer of iets anders ranzigs geweest zijn. De rest was moderne rommel, makkelijk te herkennen. Niet echt spul voor in de letterbak, haha!
Misschien hebben jullie het zelf ook in de kast staan thuis: Delfts Blauw aardewerk. Standaard uitgevoerd in blauw en wit, met een typisch Hollands motiefje van een tulp, scheepje of molentje. Dit aardewerk geniet tegenwoordig een beschermde status, maar is nog niet zo ontzettend lang onderdeel van de Nederlandse cultuur.
Kijkende naar de geschiedenis van Chinees porselein, dat ook in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onwijs populair werd als statussymbool, rijst de vraag hoe “Hollands” Delfts Blauw nu eigenlijk is. Ik dook in het onderwerp en creëerde onderstaande geschiedenisflits. Aan het einde van de video verraad ik hoe je zelf kunt checken of je een waardevol exemplaar bezit. 😉
Nederlandse ondertiteling beschikbaar via YouTube.
In de zomer van 2022 bezochten wij Friedrichshafen aan de Bodensee. Het was een spontaan weekend weg en we hadden niets gepland. Wel wisten we al dat de plek bekend staat om een eigenzinnige uitvinding, namelijk de zeppelin.
Een zeppelin is een luchtschip en is in feite een zwevend geraamte van ijzer en zeildoek. De naam komt van het meesterbrein achter dit type vervoersmiddel: Graaf Ferdinand von Zeppelin (1838-1917). En ja hoor… nog voordat we geparkeerd hadden, zagen we er eentje boven ons zweven. Het was de eerste keer dat ik een zeppelin in de lucht zag en ik vond het toch een bijzonder gezicht. Heel langzaam, heel stil en heel kalm gleed het ding boven ons langs, totdat de zeppelin achter de nabijgelegen Zwitserse bergtoppen verdween.
Het inspireerde ons om het Zeppelinmuseum Friedrichshafen te bezoeken. En wouw, dat viel niet tegen! Het bleek een enorm museum te zijn met verschillende hallen en zelfs een nagebouwd onderstel om doorheen te lopen (hangend aan het plafond). Zo kreeg je als bezoeker echt het idee dat je zelf in een zeppelin zat. Het museum bood veel informatie en leuke, verrassende objecten. Ik besloot ons bezoek te filmen voor een nieuwe video. Onderstaande video is het resultaat van enkele weken aan historisch onderzoek. Ik ontdekte dat het ook nog weleens finaal misgegaan is tijdens een zeppelinreis, waarvan het ongeluk met de Hindenburg in 1937 boven Amerikaans grondgebied het meest dramatische voorbeeld is.
Wij hebben veel geleerd van ons bezoek aan Friedrichshafen en hebben genoten van dit stukje technische geschiedenis… Hopelijk kan het jullie ook bekoren! 🙂
Ik zag weer een nieuwsbericht over een bijzondere archeologische vondst voorbijkomen, deze keer over een opgraving bij een heidense tempel in Noorwegen.
In het dorpje Hov (in de provincie Innlandet) hebben archeologen tientallen piepkleine gouden figuurtjes van meer dan 1400 jaar oud gevonden. De gouden plaatjes zijn extreem dun, bijna net zo fragiel als papier. En ze zijn ook nog eens klein van formaat, ongeveer zo groot als een vingernagel. Toch bevatten ze verrassend gedetailleerde afbeeldingen uit de Noordse mythologie, waaronder de god Freyr en de reuzin Gerðr. Zulke figuurtjes zijn vaker gevonden in Scandinavië en worden gullgubber genoemd, wat letterlijk “gouden mannetjes” betekent. Ze stammen uit de Merovingische periode, dus uit de eeuwen net vóór het Vikingtijdperk. Maar omdat het einde van de Merovingische periode samenvalt met het begin van het Vikingtijdperk, kennen deze opeenvolgende perioden nog veel culturele overeenkomsten. De gullgubber zijn daar een goed voorbeeld van.
Archeologen troffen de gouden plaatjes aan op een plek waar ooit een belangrijk religieus gebouw stond. Ze lagen niet zomaar verspreid, maar waren bewust in paalgaten gestopt. Ook lagen ze langs de voormalige muren van de tempel. Dat houdt verband met rituele en symbolische betekenissen, die we vandaag helaas niet meer kennen. Maar de onderzoekers vermoeden daarom wel dat de figuurtjes geen alledaagse sieraden waren, maar juist offers die bedoeld waren om de goden gunstig te stemmen. Mogelijk vroegen de mensen met deze offers om bescherming, vruchtbaarheid of voorspoed voor het gebouw of hun gemeenschap.
Doordat deze gullgubber nog precies op hun oorspronkelijke plek lagen, is de archeologische context meteen duidelijk. Dat is uitzonderlijk, omdat vergelijkbare vondsten vaak los in de grond worden aangetroffen zonder duidelijke relatie tot een gebouw. Archeologe Kathrine Stene benadrukt dat de ontdekking extra bijzonder is omdat gullgubber meestal in grotere tempelcomplexen worden gevonden. Het gebouw in Hov is namelijk relatief klein. Over heel Scandinavië zijn er inmiddels duizenden gullgubber ontdekt, maar elke nieuwe vondst draagt bij aan ons begrip van de Noordse mythologie, spiritualiteit en cultuur in de periode vóór de Vikingtijd.
Vandaag toverde ik in 3vwo een mini-replica van één van de belangrijkste archeologische vondsten ter wereld tevoorschijn. Tot mijn grote vreugd vonden de leerlingen dit malle ding hartstikke interessant en waren ze ijverig bezig om de betekenis ervan te ontdekken.
In 1799 vonden Franse soldaten bij het Egyptische stadje Rosetta (Rashid / رشيد) een donkere steen met drie soorten tekst. Deze Napoleontische soldaten waren op expeditie en besteedden hun vrije tijd aan het opduikelen van cultuurhistorische objecten. Destijds een acceptabele praktijk, nu toch wel behoorlijk dubieus te noemen. Afijn, de vondst werd “de Steen van Rosetta” genoemd. Het bleek de sleutel tot het ontcijferen van het Egyptische hiërogliefenschrift.
Op de steen staat dezelfde inscriptie in drie talen: het hiërogliefenschrift, het Demotisch (een versimpeld hiërogliefenschrift voor alledaags gebruik) en het Grieks. Voor de liefhebber: de tekst is een decreet van farao Ptolemaeus V Epiphanes, uitgevaardigd in 196 v.Chr; over zijn goede regering en de noodzaak om standbeelden voor hem op te richten. Dat er drie keer dezelfde tekst staat, maakte het mogelijk om het mysterieuze symbolenalfabet van de Egyptenaren te begrijpen. In 1822 lukte het de Franse taalkundige Jean-François Champollion om de code te kraken. Vanaf dat moment konden eeuwenoude Egyptische teksten dus weer worden gelezen.
De Steen van Rosetta in het British Museum (1985, foto uit het publieke domein)Schematische tekening (1842, publiek domein)
Op de bovenste foto houd ik een stuk hout vast, waarin de tekst gegraveerd is. Maar de echte steen van Rosetta is een flink brok granodioriet (zie de foto hierboven). Het topstuk is te zien in het British Museum in Londen. Waarom niet in Parijs? Omdat Napoleon het bezette territorium in Egypte uiteindelijk “verloor” aan Britse troepen onder leiding van admiraal Nelson en generaal Hutchinson. Met het Verdrag van Alexandrië eisten de Britten alle wetenschappelijke vondsten van de Fransen op als oorlogsbuit (1801). Dergelijke verhalen gaan overigens schuil achter bijna alle Egyptische topstukken die in Europese musea tentoongesteld worden. Dat is iets om in gedachten te houden.
Gelukkig zijn de wetenschappelijke inzichten die de Steen van Rosetta opleverde wel altijd met de hele wereld gedeeld. Het is een ware taalkundige brug tussen beschavingen!
Dat de geschiedenis van Nederland en België innig met elkaar verbonden zijn, zal niemand verbazen. Onze historie begon immers gezamenlijk in de middeleeuwen, toen we nog één land vormden. In de jaren dat de Noordelijke Nederlanden (het huidige Nederland) in opstand kwamen tegen de Spaanse overheersing door het Huis Habsburg, bleven de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België) de Spaanse koning juist trouw. Vanaf dat moment liepen de levenslijnen van de twee landen uiteen, maar na de Franse periode werden ze toch weer samengevoegd.
Deze historische meanders komen tot uiting in het indrukwekkende Domein de Renesse in Oostmalle. De geschiedenis is hier letterlijk in de gebouwen terug te zien, met name in het kasteel (dat ooit symmetrisch was, maar door de eeuwen heen een eclectisch bouwwerk is geworden). Zelfs de beplanting in de tuin is onderhevig geweest aan verschillende historische invloeden, waardoor het vandaag zeer plezierig is om over het groene, bloeiende en netjes onderhouden domein te wandelen.
Nadat Napoleon verslagen was bij Waterloo, werd er een nieuw “Verenigd Koninkrijk der Nederlanden” gevormd (1815). Dat betekende ook dat er een gezamenlijk koloniaal rijk was. Zowel Nederlandse als Belgische ambtenaren werkten in Nederlands-Indië, zo ook de markante figuur Leonard du Bus de Gisignies. Echter, tijdens zijn diensttijd begon de Belgische Revolutie en werd België een zelfstandig land (1830). Wat dat voor hem als Belg betekende in de Nederlandse kolonie, wordt in de video besproken, samen met nog veel meer andere interessante feiten over het domein.
Met hartelijke dank aan Raymonde vanden Broeck en Joke Kenis voor de gastvrijheid en voor de ondersteuning bij de totstandkoming van de video.
Barbenheimer gaat aan mij voorbij, maar Oppenheimer heb ik vorige week wél in de bioscoop gezien. Je kunt overal recensies vinden over de betrouwbaarheid van de film, dus ik wil liever schrijven over de historische achtergrond ervan. Ook is er een link met Noorwegen, die in de film niet besproken wordt. Lees dus vooral verder.
Otto Hahn en Lise Meitner (1912). Foto uit het publieke domein.ID-foto van Otto Frisch voor werkzaamheden in Los Alamos. Foto uit het publieke domein.
In de jaren ’30 ontdekten Duitse wetenschappers hoe kernsplijting ontstaat. In 1938 toonden de natuurkundigen Otto Hahn en Fritz Strassmann met experimenten aan dat uraniumkernen kunnen splijten. Kort daarna gaven Lise Meitner en Otto Frisch hiervoor een theoretische verklaring en introduceerden zij de term “kernsplijting”. Simpel gezegd is kernsplijting het splitsen van een atoom in kleinere fragmenten, waarbij grote hoeveelheden energie vrijkomen. Zou je dit toepassen op oorlogvoering, dan kun je atoombommen creëren die in één keer hele gemeenschappen vernietigen.
In 1939 ontving de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt een brief van de natuurkundige Leó Szilárd, die mede was ondertekend door Albert Einstein. In de brief werd gewaarschuwd dat Nazi-Duitsland mogelijk onderzoek deed naar atoomwapens. Naar aanleiding van deze waarschuwing (en terecht gealarmeerd) steunde Roosevelt vervolgens eigen, Amerikaanse onderzoeken naar kernwapens. Iets later, namelijk in 1942, werd het “Manhattan-project” (het Amerikaanse nucleaire programma) officieel gelanceerd.
Speciale pin voor medewerkers van het Manhattan-project. Publiek domein.Replica van een “Fat Man”-bom. Publiek domein.
De geallieerden wilden achterhalen hoe ver de Duitsers nu echt waren met hun kernonderzoek. Duitse wetenschappers werden gevangengenomen en ondervraagd, archieven werden doorzocht, laboratoria werden overhoop gehaald. Uiteindelijk werden er technische tekeningen en documenten gevonden die verband hielden met kernsplijting en ging het gerucht dat er bommen waren getest in de bossen van Thüringen. Bevestigd werden de vermoedens echter niet. Na de oorlog werden er daarom ook ooggetuigenverslagen verzameld. Lokale bewoners verklaarden lichtflitsen gezien te hebben en sommigen hadden lichamelijke klachten. Maar tot op de dag van vandaag is er geen overtuigend bewijs gevonden voor dergelijke testen in Thüringen. De meeste historici beschouwen deze beweringen daarom als onbewezen.
Maar een ander belangrijk onderdeel van het Duitse kernonderzoek, is wél goed gedocumenteerd. Het speelde zich af in Vemork (Noorwegen) bij de fabriek van Norsk Hydro, waar zwaar water werd geproduceerd. Zwaar water is een speciale vorm van water waarin de waterstofatomen zwaarder zijn dan in normaal water. Het kan worden gebruikt om kernreactoren te laten werken, waarbij mogelijk plutonium kan ontstaan (dat dan weer geschikt is voor kernwapens). Voor de Duitsers was dit daarom een belangrijk materiaal.
Verzetsstrijders bij een filmpremière in 1948. Helemaal links Joachim Rønneberg.Norsk Hydro in Vemork vandaag. Foto uit het publieke domein.
Om de nazi’s te dwarsbomen bij de productie ervan, werden verschillende sabotageacties uitgevoerd door Noorse verzetsstrijders. Vaak werden ze gesteund door de Britse Special Operations Executive (SOE). Eén van de bekendste acties was “Operatie Gunnerside“, uitgevoerd door een groep commando’s onder leiding van Joachim Rønneberg in 1943. Daarbij werd een deel van de installatie vernietigd. Later werd ook een transport van zwaar water dat via een veerboot over het Tinnmeer werd vervoerd tot zinken gebracht. Deze acties zorgden ervoor dat de Duitsers maar beperkt over zwaar water konden beschikken.
Maandelijkse uitgaven aan het Manhattan-project, in miljoenen dollars. Publiek domein.ID-foto van Oppenheimer. Publiek domein.
Mogelijk hadden de onderzoekers van het Duitse kernprogramma beperkte middelen en kreeg het project geen hoge prioriteit van de regering. En dat de wetenschappers op verschillende locaties in Europa werkten, kwam de samenwerking niet ten goede. Bovendien weten we dat de Duitse onderzoeksgroepen relatief klein waren. Het Amerikaanse Manhattan-project beschikte daarentegen over enorme financiële middelen en duizenden wetenschappers, technici en arbeiders. Vooral in Los Alamos (New Mexico) werden grote vooruitgangen geboekt in de ontwikkeling van kernwapens. De wetenschappelijke leiding daar lag bij J. Robert Oppenheimer, een theoretisch natuurkundige met een specialisatie in kwantumfysica. Hij coördineerde de samenwerking tussen de wetenschappers en vertaalde theoretische ideeën naar een werkbaar ontwerp voor een kernwapen.
Slachtoffer van de dropping op Hiroshima. Foto uit het publieke domein.Opname van de dropping op Nagasaki. Foto uit het publieke domein.
In augustus 1945 werden deze kernwapens vervolgens door de Amerikanen ingezet tegen Japan. Er werden atoombommen gedropt op de steden Hiroshima en Nagasaki. De bombardementen veroorzaakten enorme verwoestingen en leidden direct tot tienduizenden doden. Maar het aantal slachtoffers liep nog jarenlang op, vanwege de straling en bijbehorende ziektes. Deze gebeurtenissen droegen bij aan de overgave van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Na de oorlog groeide Oppenheimer uit tot een omstreden figuur. In de media benadrukte hij steeds nadrukkelijker de negatieve, morele gevolgen van zijn werk. Hij verzette zich ook tegen de verdere ontwikkeling van kernwapens. Het is dus zijn verhaal dat we volgen in de film Oppenheimer. Centraal staat zijn rol in het Manhattan-project en zijn worsteling met de potentiële gevolgen van atoomwapens. Wat mij betreft is dat mooi in beeld gebracht. Als kijker moet je wel blijven opletten en enige historische achtergrondkennis hebben. De problematiek rondom Oppenheimers intieme relaties had van mij minder prominent aanwezig mogen zijn. De scènes met Jean Tatlock (gespeeld door Florence Pugh) zijn nogal ongemakkelijk en dragen beperkt bij aan het historische verhaal. Maar ach, het blijft een Hollywoodfilm. We moeten natuurlijk wel wakker blijven, te midden van al die droge kwantumfysica.
Om het einde van het hoofdstuk over de middeleeuwen (tevens het einde van het schooljaar) te markeren, hebben mijn brugklasleerlingen vanochtend allemaal een decreet opgesteld. Ze moesten opschrijven wat zij het belangrijkste element uit de middeleeuwen vinden, lest we forget dat er in dit tijdperk veel gebeurde en veel ontdekt werd.
De decreten werden geheel in stijl ondertekend, met veren en ecoline. Dat was even concentreren, maar het lukte prima. Nu kan niemand meer zeggen dat de middeleeuwen “dark ages” waren!