Gouden mannetjes

Ik zag weer een nieuwsbericht over een bijzondere archeologische vondst voorbijkomen, deze keer over een opgraving bij een heidense tempel in Noorwegen.

In het dorpje Hov (in de provincie Innlandet) hebben archeologen tientallen piepkleine gouden figuurtjes van meer dan 1400 jaar oud gevonden. De gouden plaatjes zijn extreem dun, bijna net zo fragiel als papier. En ze zijn ook nog eens klein van formaat, ongeveer zo groot als een vingernagel. Toch bevatten ze verrassend gedetailleerde afbeeldingen uit de Noordse mythologie, waaronder de god Freyr en de reuzin Gerðr. Zulke figuurtjes zijn vaker gevonden in Scandinavië en worden gullgubber genoemd, wat letterlijk “gouden mannetjes” betekent. Ze stammen uit de Merovingische periode, dus uit de eeuwen net vóór het Vikingtijdperk. Maar omdat het einde van de Merovingische periode samenvalt met het begin van het Vikingtijdperk, kennen deze opeenvolgende perioden nog veel culturele overeenkomsten. De gullgubber zijn daar een goed voorbeeld van.

Archeologen troffen de gouden plaatjes aan op een plek waar ooit een belangrijk religieus gebouw stond. Ze lagen niet zomaar verspreid, maar waren bewust in paalgaten gestopt. Ook lagen ze langs de voormalige muren van de tempel. Dat houdt verband met rituele en symbolische betekenissen, die we vandaag helaas niet meer kennen. Maar de onderzoekers vermoeden daarom wel dat de figuurtjes geen alledaagse sieraden waren, maar juist offers die bedoeld waren om de goden gunstig te stemmen. Mogelijk vroegen de mensen met deze offers om bescherming, vruchtbaarheid of voorspoed voor het gebouw of hun gemeenschap.

Doordat deze gullgubber nog precies op hun oorspronkelijke plek lagen, is de archeologische context meteen duidelijk. Dat is uitzonderlijk, omdat vergelijkbare vondsten vaak los in de grond worden aangetroffen zonder duidelijke relatie tot een gebouw. Archeologe Kathrine Stene benadrukt dat de ontdekking extra bijzonder is omdat gullgubber meestal in grotere tempelcomplexen worden gevonden. Het gebouw in Hov is namelijk relatief klein. Over heel Scandinavië zijn er inmiddels duizenden gullgubber ontdekt, maar elke nieuwe vondst draagt bij aan ons begrip van de Noordse mythologie, spiritualiteit en cultuur in de periode vóór de Vikingtijd.

De Steen van Rosetta, onze sleutel tot het oude Egypte

Vandaag toverde ik in 3vwo een mini-replica van één van de belangrijkste archeologische vondsten ter wereld tevoorschijn. Tot mijn grote vreugd vonden de leerlingen dit malle ding hartstikke interessant en waren ze ijverig bezig om de betekenis ervan te ontdekken.

In 1799 vonden Franse soldaten bij het Egyptische stadje Rosetta (Rashid / رشيد) een donkere steen met drie soorten tekst. Deze Napoleontische soldaten waren op expeditie en besteedden hun vrije tijd aan het opduikelen van cultuurhistorische objecten. Destijds een acceptabele praktijk, nu toch wel behoorlijk dubieus te noemen. Afijn, de vondst werd “de Steen van Rosetta” genoemd. Het bleek de sleutel tot het ontcijferen van het Egyptische hiërogliefenschrift.

Op de steen staat dezelfde inscriptie in drie talen: het hiërogliefenschrift, het Demotisch (een versimpeld hiërogliefenschrift voor alledaags gebruik) en het Grieks. Voor de liefhebber: de tekst is een decreet van farao Ptolemaeus V Epiphanes, uitgevaardigd in 196 v.Chr; over zijn goede regering en de noodzaak om standbeelden voor hem op te richten. Dat er drie keer dezelfde tekst staat, maakte het mogelijk om het mysterieuze symbolenalfabet van de Egyptenaren te begrijpen. In 1822 lukte het de Franse taalkundige Jean-François Champollion om de code te kraken. Vanaf dat moment konden eeuwenoude Egyptische teksten dus weer worden gelezen.

Op de bovenste foto houd ik een stuk hout vast, waarin de tekst gegraveerd is. Maar de echte steen van Rosetta is een flink brok granodioriet (zie de foto hierboven). Het topstuk is te zien in het British Museum in Londen. Waarom niet in Parijs? Omdat Napoleon het bezette territorium in Egypte uiteindelijk “verloor” aan Britse troepen onder leiding van admiraal Nelson en generaal Hutchinson. Met het Verdrag van Alexandrië eisten de Britten alle wetenschappelijke vondsten van de Fransen op als oorlogsbuit (1801). Dergelijke verhalen gaan overigens schuil achter bijna alle Egyptische topstukken die in Europese musea tentoongesteld worden. Dat is iets om in gedachten te houden.

Gelukkig zijn de wetenschappelijke inzichten die de Steen van Rosetta opleverde wel altijd met de hele wereld gedeeld. Het is een ware taalkundige brug tussen beschavingen!

Film: Oppenheimer (2023)

Barbenheimer gaat aan mij voorbij, maar Oppenheimer heb ik vorige week wél in de bioscoop gezien. Je kunt overal recensies vinden over de betrouwbaarheid van de film, dus ik wil liever schrijven over de historische achtergrond ervan. Ook is er een link met Noorwegen, die in de film niet besproken wordt. Lees dus vooral verder.

In de jaren ’30 ontdekten Duitse wetenschappers hoe kernsplijting ontstaat. In 1938 toonden de natuurkundigen Otto Hahn en Fritz Strassmann met experimenten aan dat uraniumkernen kunnen splijten. Kort daarna gaven Lise Meitner en Otto Frisch hiervoor een theoretische verklaring en introduceerden zij de term “kernsplijting”. Simpel gezegd is kernsplijting het splitsen van een atoom in kleinere fragmenten, waarbij grote hoeveelheden energie vrijkomen. Zou je dit toepassen op oorlogvoering, dan kun je atoombommen creëren die in één keer hele gemeenschappen vernietigen.

In 1939 ontving de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt een brief van de natuurkundige Leó Szilárd, die mede was ondertekend door Albert Einstein. In de brief werd gewaarschuwd dat Nazi-Duitsland mogelijk onderzoek deed naar atoomwapens. Naar aanleiding van deze waarschuwing (en terecht gealarmeerd) steunde Roosevelt vervolgens eigen, Amerikaanse onderzoeken naar kernwapens. Iets later, namelijk in 1942, werd het “Manhattan-project” (het Amerikaanse nucleaire programma) officieel gelanceerd.

De geallieerden wilden achterhalen hoe ver de Duitsers nu echt waren met hun kernonderzoek. Duitse wetenschappers werden gevangengenomen en ondervraagd, archieven werden doorzocht, laboratoria werden overhoop gehaald. Uiteindelijk werden er technische tekeningen en documenten gevonden die verband hielden met kernsplijting en ging het gerucht dat er bommen waren getest in de bossen van Thüringen. Bevestigd werden de vermoedens echter niet. Na de oorlog werden er daarom ook ooggetuigenverslagen verzameld. Lokale bewoners verklaarden lichtflitsen gezien te hebben en sommigen hadden lichamelijke klachten. Maar tot op de dag van vandaag is er geen overtuigend bewijs gevonden voor dergelijke testen in Thüringen. De meeste historici beschouwen deze beweringen daarom als onbewezen.

Maar een ander belangrijk onderdeel van het Duitse kernonderzoek, is wél goed gedocumenteerd. Het speelde zich af in Vemork (Noorwegen) bij de fabriek van Norsk Hydro, waar zwaar water werd geproduceerd. Zwaar water is een speciale vorm van water waarin de waterstofatomen zwaarder zijn dan in normaal water. Het kan worden gebruikt om kernreactoren te laten werken, waarbij mogelijk plutonium kan ontstaan (dat dan weer geschikt is voor kernwapens). Voor de Duitsers was dit daarom een belangrijk materiaal.

Om de nazi’s te dwarsbomen bij de productie ervan, werden verschillende sabotageacties uitgevoerd door Noorse verzetsstrijders. Vaak werden ze gesteund door de Britse Special Operations Executive (SOE). Eén van de bekendste acties was “Operatie Gunnerside“, uitgevoerd door een groep commando’s onder leiding van Joachim Rønneberg in 1943. Daarbij werd een deel van de installatie vernietigd. Later werd ook een transport van zwaar water dat via een veerboot over het Tinnmeer werd vervoerd tot zinken gebracht. Deze acties zorgden ervoor dat de Duitsers maar beperkt over zwaar water konden beschikken.

Mogelijk hadden de onderzoekers van het Duitse kernprogramma beperkte middelen en kreeg het project geen hoge prioriteit van de regering. En dat de wetenschappers op verschillende locaties in Europa werkten, kwam de samenwerking niet ten goede. Bovendien weten we dat de Duitse onderzoeksgroepen relatief klein waren. Het Amerikaanse Manhattan-project beschikte daarentegen over enorme financiële middelen en duizenden wetenschappers, technici en arbeiders. Vooral in Los Alamos (New Mexico) werden grote vooruitgangen geboekt in de ontwikkeling van kernwapens. De wetenschappelijke leiding daar lag bij J. Robert Oppenheimer, een theoretisch natuurkundige met een specialisatie in kwantumfysica. Hij coördineerde de samenwerking tussen de wetenschappers en vertaalde theoretische ideeën naar een werkbaar ontwerp voor een kernwapen.

In augustus 1945 werden deze kernwapens vervolgens door de Amerikanen ingezet tegen Japan. Er werden atoombommen gedropt op de steden Hiroshima en Nagasaki. De bombardementen veroorzaakten enorme verwoestingen en leidden direct tot tienduizenden doden. Maar het aantal slachtoffers liep nog jarenlang op, vanwege de straling en bijbehorende ziektes. Deze gebeurtenissen droegen bij aan de overgave van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Na de oorlog groeide Oppenheimer uit tot een omstreden figuur. In de media benadrukte hij steeds nadrukkelijker de negatieve, morele gevolgen van zijn werk. Hij verzette zich ook tegen de verdere ontwikkeling van kernwapens. Het is dus zijn verhaal dat we volgen in de film Oppenheimer. Centraal staat zijn rol in het Manhattan-project en zijn worsteling met de potentiële gevolgen van atoomwapens. Wat mij betreft is dat mooi in beeld gebracht. Als kijker moet je wel blijven opletten en enige historische achtergrondkennis hebben. De problematiek rondom Oppenheimers intieme relaties had van mij minder prominent aanwezig mogen zijn. De scènes met Jean Tatlock (gespeeld door Florence Pugh) zijn nogal ongemakkelijk en dragen beperkt bij aan het historische verhaal. Maar ach, het blijft een Hollywoodfilm. We moeten natuurlijk wel wakker blijven, te midden van al die droge kwantumfysica.

Historisch correct?Geschikt en nuttig voor leerlingen?
Grotendeels.Ja, voor bovenbouwleerlingen.

Lesinspiratie: middeleeuwen

Om het einde van het hoofdstuk over de middeleeuwen (tevens het einde van het schooljaar) te markeren, hebben mijn brugklasleerlingen vanochtend allemaal een decreet opgesteld. Ze moesten opschrijven wat zij het belangrijkste element uit de middeleeuwen vinden, lest we forget dat er in dit tijdperk veel gebeurde en veel ontdekt werd.

De decreten werden geheel in stijl ondertekend, met veren en ecoline. Dat was even concentreren, maar het lukte prima. Nu kan niemand meer zeggen dat de middeleeuwen “dark ages” waren!

Lesinspiratie: Noormannen / Scandinavië / Vikingen

De lesboeken die wij gebruiken, bevatten helaas geen informatie over de Noormannen of de middeleeuwse Scandinavische samenleving. Ik vermoed dat de meeste geschiedenisdocenten in Nederland dit onderwerp overslaan, maar daarvan breekt mijn Vikinghart natuurlijk wel een beetje. Voor docenten die wél met het onderwerp aan de slag willen gaan, heb ik hieronder een inspiratielijstje samengesteld.

  1. Neem spullen mee die de Noormannen bezaten en toon de leerlingen een soort “what’s in my bag“. Scandinavische mannen en vrouwen droegen veel persoonlijke spulletjes op hun lichaam, zoals oorlepels, sleutels, buidels met munten, (hak)zilveren sieraden, naald en draad, mesjes en runenstenen. Veel daarvan kun je zelf in elkaar knutselen.
  2. Laat de leerlingen kennismaken met het runenschrift. Ga op zoek naar een runensteen die jou aanspreekt en bespreek de inscriptie(s) op de steen. Laat de leerlingen als afsluiter hun eigen naam in runen schrijven.
  3. Vertel over de unieke wanderlust van de Vikingen. Terwijl je de middeleeuwen behandelt, kun je bijvoorbeeld vertellen dat de Scandinaviërs als enige Europeanen overal heen reisden (missionarissen en andere reizende beroepen daargelaten). Verreweg het grootste deel van de Europese bevolking kende alleen de eigen omgeving: het eigen dorp, met sporadische bezoeken aan de dichtstbijzijnde stad. De groepen die “Viking” gingen, wilden juist steeds verder reizen om te handelen, plunderen en ontdekken en later ook om nieuwe vestigingsgebieden te vinden. Voor de leerlingen is het verrassend om te leren dat de Scandinaviërs ook een compleet eigen samenleving creërden in Engeland, IJsland en Groenland.
  4. In het verlengde daarvan, kun je de leerlingen uitleggen hoe hoogstaand de navigatie- en scheepsbouwtechnieken van de Noormannen waren. Vertel over feit én over fictie! Noem de terugkerende raven, de zonnewijzer, de zonnesteen, de drakar, de overnaadse werkwijze die voor een bijzonder wendbaar en sterk schip zorgde, etcetera, etcetera. Hierdoor benadruk je het belang en de blijvende waarde van het Vikingtijdperk.
  5. En als laatste: doe iets met de Noordse mythologie! Lees een stukje voor uit de poëtische of prozaïsche Edda, kies één verhaal dat het meeste tot de verbeelding spreekt, laat de leerlingen de hoofdpersonen tekenen tijdens het luisteren, laat hen zélf (het vervolg van) een mythe schrijven… De mogelijkheden zijn eindeloos. Dit is in mijn klassen ieder jaar weer favoriet; iedereen kan hier zijn/haar creativiteit in kwijt en vanwege de popcultuur kennen veel leerlingen de mythologische figuren al.
Fabriceer zelf een zonnewijzer!

Omdat er in het reguliere curriculum zo weinig ruimte is voor onderwerpen die niet in de lesboeken staan, hoef je hier natuurlijk geen complete lessenreeks aan te wijden. Maar neem van mij aan: de leerlingen vinden dit leuk. Het is een onderdeel waarmee je de lessen over de middeleeuwen een flinke oppepper kunt geven, dus het zou zonde zijn om het over te slaan!

Een stukje Colombiaanse kartelgeschiedenis

Onlangs gaf ik voor I&S les over de schadelijke gevolgen van globalisering. Ik vertelde de klas over de “cocaïnenijlpaarden” van Pablo Escobar en wilde dit opmerkelijke stukje geschiedenis ook even hier delen.

De regering van Colombia gaat later dit jaar zeventig “cocaïnenijlpaarden” verplaatsen. De nijlpaarden zijn afstammelingen van de privécollectie wilde dieren van de (in 1993) doodgeschoten drugsbaas Pablo Escobar. Eind jaren ’80 liet Escobar exotische dieren uit Afrika en Azië vangen en overbrengen naar zijn landgoed Hacienda Nápoles, op zo’n 250 km afstand van Medellín. Zo had hij ook nijlpaarden geïmporteerd. Oorspronkelijk ging het om één stier met 3 vrouwtjes. Maar de dieren hadden het naar hun zin en inmiddels zijn er tussen de 130 en 160 nijlpaarden in Colombia.

Omdat nijlpaarden niet in Colombia thuishoren, schaadt hun aanwezigheid de lokale ecosystemen. Er is sprake van watervervuiling door de ontlasting van de dieren. En boeren in de omgeving hebben veel last van de gevaarlijke nijlpaarden, die akkers platwalsen en leegvreten. Binnenkort worden er eerst 10 nijlpaarden naar Mexico gebracht en later nog eens 60 naar India. Deze operatie zou de regering minstens $3.500.000 gaan kosten. Tja… Escobar moet net als Madame de Pompadour gedacht hebben dat de zondvloed ná hem zou komen.

Nadat de eerste kreten van verontwaardigdheid over Escobar en zijn nijlpaarden verstomden, ontstond er een inhoudelijke discussie over globalisering, dierentuinen en overconsumptie. Dat maakte dit nieuwsitem tot een geschikte aandachtstrekker, die ik ook volgend jaar nog kan gebruiken.

“Afrika verdelen” in de klas

In de klas hebben de leerlingen de kaart van Afrika opnieuw ingetekend, net zoals dat in 1884-1885 gebeurde tijdens de Conferentie van Berlijn.

Deze Conferentie van Berlijn was een bijeenkomst van een aantal leiders van industrialiserende Europese naties. Onder andere het Duitse Rijk, België, Groot-Brittannië en Frankrijk waren aanwezig. Deze vier naties werden de hoofdrolspelers van het evenement, hoewel er nog meer landen vertegenwoordigd waren.

De Europese machten kwamen bijeen om “koloniale problemen” op te lossen (denk aan dubbele claims, gebrek aan industriële grondstoffen of juist gebrek aan afzetgebieden). Door het Afrikaanse continent onderling te verdelen, herdefinieerden ze de grenzen van Afrikaanse landen en creëerden ze tegelijkertijd nieuwe naties. De mensen die in deze gebieden woonden, waren nooit om advies gevraagd. Ze hadden niets te zeggen bij de creatie van deze nieuwe landsgrenzen. En dus sneden de lijnen dwars door stamgebieden en graasgebieden/migratieroutes van dierenkuddes, waardoor er automatisch nieuwe spanning ontstond onder de lokale bevolking.

Hoewel het tijdperk van dit moderne imperialisme nu achter ons ligt, vormen de afspraken uit de Conferentie van Berlijn nog altijd de reden dat sommige Afrikaanse grenzen er vandaag zo vreemd “recht” uitzien.

Als docent kun je dit vertellen en aanwijzen op de kaart, maar je kunt het de leerlingen ook zelf laten ontdekken. De klas speelt de Conferentie dan na en probeert zoveel mogelijk de belangen van het eigen land te behartigen. Met een paar kaartjes op tafel, zeiden ze dingen als “Ik claim dit stuk land, jij mag dat hebben!” en “Stop, dit is mijn territorium!”. Of, helemaal berekenend en tevreden met zichzelf: “Dat overige stukje kunnen we nog in tweeën snijden!”. Door hen na afloop met hun eigen uitspraken te confronteren, begrepen we aan het einde van de les allemaal hoe absurd de Conferentie van Berlijn eigenlijk was.

Als je dit zelf ook eens wil proberen, dan is de PDF van Barbaar Educatie meteen bruikbaar en goed functionerend (klik hier). Aanrader voor de lessen over kolonialisme!

Gary Bankhead – Textile Manufacture, Taxation and Trade in Late- and Post-Medieval Durham City

Zo, dat is een hele mond vol. Maar we hebben het hier dan ook over een zeer omvangrijk werk. En specifieke boeken, daar houd ik van. 🙂

Deze dikke pil door onderwaterarcheoloog Gary Bankhead pronkt sinds kort op mijn boekenplank. Het gaat over vondsten die Gary door de jaren heen deed in de rivier de Wear, die door de Engelse stad Durham loopt. De focus ligt op lakenzegels: de kleine loden merktekens waarmee de kwaliteit van textiel aangeduid werd.

Het boek bevat zeer gedetailleerde tekeningen van de vondsten, duidelijke kaarten en uitgebreide beschrijvingen. Er wordt ook stilgestaan bij de middeleeuwse handelsconnecties waarlangs het textiel door Europa verspreid werd. Ik heb Gary over zijn onderzoek gesproken en ik weet nu dat hij zijn enthousiasme voor (en kennis van) onderwaterarcheologie ruimschoots in het boek verwerkt heeft!

Historisch correct?Geschikt en nuttig voor leerlingen?
Ja, alle teksten zijn gebaseerd op archeologisch onderzoek.Dit boek bevat te veel vaktermen voor leerlingen, maar deze zijtak van de archeologie vinden ze wel spannend. Er zijn veel video’s over onderwaterarcheologie op YouTube te vinden, die aan onderwerpen zoals de Hanze of diverse oorlogen gelinkt kunnen worden. Voor studenten archeologie is het boek zeer bruikbaar en leerzaam.

Foto of schilderij?

Het Stedelijk Museum Alkmaar bezoek ik regelmatig en steeds trekt een bepaald schilderij uit de vaste collectie mijn aandacht. Als je de ruimte binnenkomt is het niet meteen duidelijk of het een foto of een schilderij is. Uiteraard is de kledingstijl niet modern, maar deze dame is zo ontzettend fijntjes en gedetailleerd vastgelegd, dat het (wat mij betreft) ook een hedendaagse foto à la Jimmy Nelson kan zijn.

Dit is het portret van Elisabeth van Cronenburg (1564-1631), geschilderd door Aert Pietersz en voltooid in 1594. Het portret van haar man Cornelis van Egmond van Nijenburg (1553-1606) hangt ernaast; een hoge pief die in Alkmaar regent, schepen en burgemeester was. Ze huwden in 1583. Op beide schilderijen is eenvoudig te zien hoe rijk zij waren, want ze dragen luxe kleding van satijn, fluweel en gesneden (“gehackelde“) stof. Ook de sieraden met edelstenen en de spierwitte kragen tonen hun rijkdom. Het is vooral de blik in haar ogen die opvalt; Elisabeth kijkt je aan als je tegenover het schilderij staat. Over smaak valt niet te twisten, maar ze zit er stijlvol bij.

Waar de Hollandsche regenten hun geld mee verdienden in de Gouden Eeuw is niet altijd duidelijk en ook zeker niet altijd zuivere koffie. Van deze bekende familie Van Egmond-Van Nijenburg weten we echter wel waar hun vermogen op gebaseerd was: het groeide met iedere nieuwe generatie door bestuurlijke posities, slimme huwelijken en het verwerven van heerlijkheden. We kunnen dus stellen dat hier geen sprake was van een zogeheten “koopmansfortuin” zoals Amsterdamse, Hoornse of Middelburgse handelsfamilies in de overzeese gebieden bij elkaar schaarden. Het bezit van Cornelis en Elisabeth werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog overigens verbeurd verklaard door de Hertog van Alva, omdat Cornelis met Willem van Oranje naar het buitenland was gegaan. Maar dat wist het echtpaar nog niet toen hun portretten werden vastgelegd. Anders zouden hun blikken wel wat minder guitig zijn geweest.