Het verhaal van Multatuli – Het Cultuurstelsel in Nederlands-Indië

Hieronder staat de tweede uit een reeks van drie video’s met meer achtergrondinformatie over de zandsculpturen die momenteel te zien zijn bij Zandsculpturen Garderen.

Dat overzeese koloniën veel rijkdom opleverden voor de Europese moederlanden, is algemeen bekend. De lokale bevolking werd via economische maatregelen uitgebuit om zoveel mogelijk tropische gewassen en exotische producten te vergaren. De politiek-economische elite uit Europa stond aan het hoofd van deze structuren, maar schakelde ook lokale leiders in om de gehoorzaamheid en dienstbaarheid van de locals te bevorderen. In de Nederlandse kolonie Nederlands-Indië (het huidige Indonesië) heette dit het “Cultuurstelsel”.

Destijds waren er al mensen die zich tegen dergelijke vormen van uitbuiting uitspraken. Vaak waren dit koloniale ambtenaren of politici die het systeem met eigen ogen in werking hadden gezien. Ze wisten dus waar ze het over hadden. De bekendste Nederlandse criticus op het koloniale systeem, was Eduard Douwes Dekker uit Amsterdam. Zijn schrijversnaam, Multatuli, klinkt u waarschijnlijk bekender in de oren dan zijn echte naam. Het was Multatuli die een belangrijke collectie verhalen schreef, waarmee vele voorbeelden van de corruptie en uitbuiting in Nederlands-Indië uiteindelijk openbaar werden. Hoe meer mensen wisten wat daar gebeurde, hoe harder de roep om hervormingen. Maar hoe kwam dat? In de video hieronder duiken we in het leven en in de nalatenschap van Multatuli.

Mijn dank gaat uit naar de medewerkers van het Multatuli Museum. Hier is een deel van de video opgenomen en hier ben ik zeer hartelijk ontvangen. Ik mocht ook even neuzen in hun archief en daar toonde Willem van Duijn mij de eerste urn van Eduard Douwes Dekker. Toen hij overleed, was cremeren nog verboden in Nederland. Maar eigenwijs als Multatuli was, heeft hij zich toch laten cremeren. Inmiddels zitten zijn overblijfselen in een nieuwe urn en is hij bijgezet in zijn monumentale graf op begraafplaats Westerveld in Driehuis (te zien in de video). Maar wat een bijzonder object en wat een unieke kans om zo dicht bij Multatuli te komen. Dit vergeet ik nooit meer. Hartelijk dank, Willem!

De werfkelders van Utrecht

Naast de huisnummers met de toevoeging “bis” (lees het hier), beschikt Utrecht over nóg een bijzonder stedelijk kenmerk. In de binnenstad zijn de grachten op veel plekken voorzien van zogeheten werfkelders.

Oorspronkelijk waren deze kelders bedoeld als opslagruimten en doorgangsruimten tussen de huizen en de grachten. Zo konden goederen worden getransporteerd over het water, wat voordelen had ten opzichte van het vervoer door de drukke en smerige straten van de binnenstad. De middeleeuwse stenen constructies en de bruggetjes uit de Gouden Eeuw (17e eeuw) brengen je vandaag direct terug naar vervlogen tijden. Leuk om te weten is dat de kelders vaak recht onder de straten liggen. De combinatie van bedrijvigheid in de binnenstad en de opslag en het goederentransport rondom de werfkelders, zorgde ervoor dat Utrecht in feite een stadshaven had.

Zelf een keer spieken? In sommige kelders zitten tegenwoordig winkels, restaurants of kantoren. Loop je langs de Drift, de Oudegracht, de Nieuwegracht, de Plompetorengracht of de Kromme Nieuwegracht, dan kun je op veel plekken met een trapje naar beneden om bij de kelderdeuren te komen. Respecteer daarbij wel de privacy van de bewoners aan de grachten. 🙂

Rietwerkers, bieswerkers en griendwerkers – Ambachten in de Biesbosch

Wie weet er tegenwoordig nog wat voor werk een rietwerker precies doet? Of een bieswerker? En wat is eigenlijk een griendwerker? Allerlei termen van ambachten die een beetje in de vergetelheid zijn geraakt, maar desalniettemin belangrijk zijn geweest voor de Nederlandse economie. In de Biesbosch kwamen al deze beroepen samen. Het landschap bepaalde de geschiedenis en andersom. Klik op onderstaande video en kijk mee naar dit onvervalste stukje Hollandsche geschiedenis.

Geruïneerd door overpriced bloembollen – De Tulpenmanie

In de vroegmoderne tijd wist Nederland zich (als Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) los te maken van het Spaanse Rijk. Het handelsvolk aan de Noordzee had daar bijna een eeuw voor moeten strijden, vandaar de term Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Ondanks deze conflicten, konden de “Nederlanders” zich economisch ontwikkelen. De lokale handelsgeest en ijver werden versterkt door internationale ambities. De VOC en de WIC brachten ons land een ontzettend grote rijkdom, die overzee niet altijd eerlijk vergaard was. Eenmaal onafhankelijk begon er een economische en culturele bloeitijd. We refereren nog altijd aan deze periode als de Gouden Eeuw, grofweg samenvallend met de 17e eeuw (of op zijn minst de tweede helft daarvan).

Maar waar grootschalig geïnvesteerd en gespeculeerd wordt, kunnen ook economische zeepbellen ontstaan. In 1634 sloeg het economische optimisme in de Republiek finaal om: de bloembollenmarkt stortte in elkaar. Niet gek misschien, want de prijs voor één enkele tulpenbol was opgelopen tot enkele duizenden guldens. Daar kon je potdorie ook een heel grachtenpand in Amsterdam voor kopen!

Deze gebeurtenis kwam bekend te staan als de “Tulpenmanie” en was de allereerste economische crash uit de geschiedenis. Kun je nagaan, met je Gouden Eeuw

Het Mosseloproer van Bruinisse (1773)

Dat de mosselvisserij ook heel spannend kan zijn, bewezen de vissers van Bruinisse in 1773.

Bruinisse is een Zeeuws vissersdorp aan de Oosterschelde en aan het Grevelingermeer. Al eeuwenlang wordt er in het bijzonder op mosselen gevist. In de 18e eeuw bloeide het dorp (tijdelijk) dankzij de mosselvisserij. De verse vangst werd aan de ‘kaaien’ (kades) verkocht. Dagelijks voeren er zo’n 100 schepen, vooral “hoogaars”, uit op de Oosterschelde. Maar de drukte van de uitvarende en aanmerende schippers zorgde voor chaos. De Staten van Zeeland (het provinciebestuur) grepen in en stelden in 1771 een ordonnantie op. Bepaald werd dat ieder schip dat de haven van Bruinisse bezocht, zich eerst moest melden bij de havenmeester. Er moest een bedrag van 2 stuivers betaald worden. Vervolgens moesten de schippers wachten tot ze aan de beurt waren om aan te meren en hun vangst te lossen.

De vissers uit Bru (Bruinisse) vonden het oneerlijk dat dit ook voor hen gold, in plaats van alleen voor buitenstaanders. Ook stierven de mosselen tijdens het wachten, waardoor ze onverkoopbaar werden. De vissers klaagden zo lang, dat de regels in 1772 een beetje versoepeld werden. Het was niet voldoende. De vissers uit Bru kwamen in juni 1773 in opstand. Zeker 30 kerels eisten dat de regels zouden verdwijnen. Ze trokken boos naar het huis van de baljuw; een soort politiecommissaris. Daar begonnen ze dingen te vernielen. De spanningen liepen zo hoog op, dat er soldaten vanuit Zierikzee gestuurd werden. Zij moesten de baljuw helpen om de vissers tot bedaren te brengen.

Aquarel door Maurice Segher (1900).

De rust werd hersteld, maar de Bruse vissers bleven hun zaak verdedigen. De ordonnantie paste niet bij de gebruiken van de mosselvisserij en schaadde de economie. De burgemeester van Bru erkende dat uiteindelijk. Daarna voelden de Staten van Zeeland zich ook gedwongen om daar rekening mee te houden. De ordonnantie werd niet ingetrokken, maar werd simpelweg niet meer nageleefd.

Wat vinden jullie, was de reactie van de mosselvissers terecht?

Waar het brood uit het water kwam: Elburg!

Elburg ontstond als vissersdorpje aan de Zuiderzee. Vandaag blokkeert Flevoland de directe toegang naar het IJsselmeer, maar Elburg ligt nog steeds aan het Veluwemeer en aan het Drontermeer.

De levendige visserij in de omgeving maakte Elburg al gauw tot handelsplaats. Kooplieden kwamen en de handel nam toe; het was een zelfversterkend proces. De bevolking groeide en het dorp werd een stadje. Elburg heeft ergens tussen 1220 en 1271 stadsrechten gekregen. Bewijsstukken van een exacte datum missen of zijn onduidelijk, maar in een charter van graaf Floris V van Holland werd “de stad Elburg” voor het eerst genoemd in een politieke context (1291). Door de goed ontwikkelde visserij en alle handel die dit teweegbracht, kon Elburg zich aansluiten bij de Hanze: een middeleeuws netwerk van handelssteden met een reikwijdte van Engeland en Noorwegen tot aan Rusland.

In 1392 gaf de hertog van Gelre, Willem van Gulik, het bevel om het stadje te verplaatsen. Rentmeester Arent thoe Boecop gebruikte toen een deel van de oude bebouwing om een nieuwe stad te bouwen met een rechthoekig stratenplan. De kerk kwam hierdoor buiten de stadsmuren te liggen. In 1397 werd er ook een nieuwe kerk gebouwd binnen de stadsmuren, namelijk de Sint-Nicolaaskerk. Er is nooit bekend geworden waarom dit gebeurd is. Er was geen (veiligheids)noodzaak voor en er speelden ook geen politieke motieven. Enfin, sindsdien is Elburg een vestingstad met middeleeuwse stadsmuren en verdedigingswerken. De kazematten getuigen hier nog van en de stadsplattegrond is bijna symmetrisch.

Hoewel er nog lang vissersbootjes in de haven lagen, zakte de visserij in Elburg vanaf de 18e eeuw in. Met de aanleg van de Afsluitdijk (1927-1932) en de geleidelijke creatie van de provincie Flevoland nam de vissersactiviteit nog meer af. De Vischpoort, de oude stadspoort van Elburg, herinnert nog wel aan de handel die het stadje in het verleden zoveel rijkdom bracht. In de haven werd ruim twee eeuwen geleden een werf gevestigd waar botters werden gebouwd (een historisch type vaartuig). Sinds 2008 zit er op die locatie een nieuwe werf van de botterstichting. Goede zaak, want deze stichting houdt het maritieme erfgoed in leven voor toekomstige generaties.

Nieuwe opgraving in Alkmaar

Op dit moment vindt er een grote archeologische opgraving plaats bij een voormalige herberg in het centrum van Alkmaar. Wat hoopt men daar te vinden?

Herberg “Het Gulden Vlies” aan de Koorstraat bestond al vóór 1563. De naam komt van de ridderorde die Filips de Goede, de hertog van Bourgondië, in 1430 ingesteld heeft. Filips haalde zijn inspiratie uit de Griekse mythologie. Daarin was het Gulden Vlies de gouden “vacht” van Chrysomallos; een wonderbaarlijke ram die door de goden gestuurd was om de kinderen Phrixos en Helle te redden. Tijdens de vlucht viel Helle in zee (de Hellespont), maar Phrixos bereikte veilig Kolchis, waar hij de ram offerde en het Gulden Vlies schonk aan koning Aiëtes, die het ophing in een heilig bos en liet bewaken door een nooit slapende draak. Generaties later werd Jason eropuit gestuurd om dit Gulden Vlies te halen om zijn recht op de troon van Iolkos te bewijzen. Met hulp van de Argonauten en de tovenares Medea wist Jason de draak te verslaan en het vlies te bemachtigen, waarmee hij een van de beroemdste heldentochten uit de Oudheid volbracht.

Afijn, herbergen die een uithangbord met de gouden vacht, Jason en/of de overwonnen draak erop hadden staan, hadden een speciale status. Hier kwamen gasten van aanzien hun braadstuk smikkelen! Zo ook in Alkmaar. Eeuwenlang kon men bij deze herberg terecht voor bijzondere diners, borrels en vergaderingen. Na een flinke verbouwing werd Het Gulden Vlies in 1924 heropend als theater. Echter, in 1991 viel het doek voor dit etablissement (letterlijk). Het gebouw transformeerde tot feestlocatie, café-restaurant en appartementencomplex.

Omdat er een nieuwe verbouwing op de planning staat voor het gebouw, wordt het terrein nu archeologisch onderzocht. Het is niet alleen aannemelijk dat er (afval)objecten van de middeleeuwse herberg gevonden worden, dit werd zelfs van tevoren verwacht. En ja hoor, de archeologen hadden gelijk. Inmiddels zijn er al muren, kelders, toiletten en riolen blootgelegd uit de 15e, 16e en 17e eeuw. Kleine vondsten zijn onder meer een vingerhoed (17e eeuw), pijpjes en munten, veel keramiek- en glasscherven (1780-1880), een Engels roomkannetje en een pannetje uit de 19e eeuw. Restanten van vijf eeuwen aan horeca-activiteit dus!