Gespot op het Franse platteland: een ouderwets stopcontact!

Voor ons is stroom onmisbaar. Treinen en vliegtuigen zijn tegenwoordig zelfs uitgerust met USB-aansluitpunten zodat wij onze apparaten kunnen opladen. Maar de eerste stroompunten zagen er héél anders uit.

Wie kent ze nog, deze ouderwetse stopcontacten? 😀

Een stopcontact wordt ook wel (wand)contactdoos genoemd. Het is letterlijk een aansluitpunt om elektriciteit af te nemen, via een verbinding met het elektriciteitsnet. Het afnemen van elektrische energie (stroom) gebeurt normaliter via een stekker (‘contactstop’); waar dan weer een apparaat aan vastzit. De eerste contactdoos met stekker dateert van 1883. Aan het einde van de 19e eeuw werd er wereldwijd in steeds meer huishoudens elektriciteit aangelegd. Aanvankelijk werd deze energie vooral gebruikt voor verlichting, maar men ontdekte spoedig dat er ook andere apparaten mee aangedreven konden worden, zoals kachels.

Maar let op, elektriciteitsleveranciers vroegen een lagere prijs voor elektriciteit die gebruikt werd voor verlichting, dan voor elektriciteit die gebruikt werd voor andere doeleinden! Daarom begon men aan de stekkers van stofzuigers en föhns te prutsen, zodat deze in het goedkopere elektriciteitsnetwerk gestopt konden worden via de lampfittingen. De dringende vraag naar goede en veilige aansluitingen voor alle moderne huishoudelijke apparaten, leidde tot de ontwikkeling van geaarde stopcontacten. Een geaarde elektrische installatie voorkomt dat het apparaat onder spanning komt te staan (en jij een schok krijgt) door de elektriciteit “naar de aarde” af te voeren via een aardedraad. Tegenwoordig is het verplicht om een stopcontact zo te construeren dat je de stroomvoerende delen niet meer kunt aanraken als je er een stekker in steekt. Die ouderwetse kreet “pas op met je vingers bij het stopcontact!” is dus eigenlijk overbodig vandaag.

Stopcontacten met randaarde hebben extra contactpunten (flappen aan de zijkant van het stopcontact), die met een aardedraad verbonden zijn aan de aardelektrode. De elektrode is vaak van koper en maakt het daadwerkelijke contact met de aarde. Zie de afbeelding hieronder.

Stopcontacten met penaarde functioneren precies hetzelfde, maar zien er anders uit. Penaarde verloopt via een uitsteeksel (“een pen”) in het midden van het stopcontact. Zie wederom de afbeelding hieronder.

Op de foto helemaal bovenaan is te zien dat het oude Franse stopcontact niet geaard is. Alle beveiliging tegen schokken ontbreekt. Verder zitten er schakelaars onder. Gezien de hoogte van het stopcontact op de muur (op ooghoogte naast de deurpost), zijn die schakelaars er voor de verlichting.

Het ouderwetse stopcontact vertelt ons dat dit huis gebouwd is vóórdat er in ieder huishouden elektriciteit beschikbaar was. Sowieso was het niet makkelijk om stroom aan te leggen in gebouwen en huizen van dit type; dus van natuursteen, leem en hout. Het huis is vandaag het dorpscafé van Oyé. Hier zal deze historische stroomvoorziening jarenlang gebruikt zijn om onhandige olielampjes te vervangen door elektrisch licht. Zo was het ook makkelijker om het café na zonsondergang open te houden… wat weer mogelijkheden bood voor grandioze feesten en partijen. En al die verhalen gaan schuil achter één stopcontact. 😉

Gespot op het Limburgse platteland: de halve mud!

Een “mud” of “mudde” is een inhoudsmaat van vroeger. Het is een verbastering van het Latijnse woord “modius” en werd gemeten met kuipen/tonnen zoals op de foto.

Een mud was op veel plekken in Nederland gelijk aan 4 schepel. En ook dát is weer een oude inhoudsmaat: een schepel is eigenlijk “een kom vol” droge waren. Met een mud werden echter ook aardappels, kolen en vloeibare stoffen gemeten.

Omdat deze inhoudsmaten per regio flink konden verschillen, werden ze langzaamaan vervangen. De regering van Napoleon had in Frankrijk al voor de invoering van het metriek stelsel gezorgd. Voor Nederland duurde het nog een paar jaar; bij ons werd dit stelsel namelijk pas officieel ingevoerd in 1820. Toen werd een mud gelijkgesteld aan 100 liter.

Gespot bij mijn beste vriendin: de typemachine!

Wie kent het nostalgische geluid nog? Of het geknoei met de linten?

In 1714 heeft de Britse Henry Mill als eerste een octrooi aangevraagd voor een schrijfmachine. Sindsdien zijn er op verschillende plekken en tijdstippen verbeterde modellen ontwikkeld.

De Amerikaan Christopher Latham Sholes vervaardigde in 1868 een typemachine die makkelijk in elkaar gezet kon worden. Het resultaat was dat de massaproductie van schrijfmachines begon. De beste man is óók de bedenker van het QWERTY-toetsenbord dat vandaag nog veel gebruikt wordt. Hierbij zijn de letters die doorgaans het meeste gebruikt worden, zo ver mogelijk van elkaar af geplaatst. Daarmee werd voorkomen dat de letterstangen (zie de foto hieronder) in elkaar zouden grijpen tijdens het typen.

In de jaren ’60 en ’70 van de 20e eeuw waren er overal ter wereld typemachines te vinden op kantoren. Er ontstond zelfs een nieuwe functie: de typist(e). Deze persoon typte handgeschreven brieven over, of zette een tekst op papier die gedicteerd werd. Dat kostte nogal wat kracht in de vingers, want de toetsen moesten hard ingedrukt worden.

De functie werd langzaam overbodig door de ontwikkeling van de computer. De schrijfmachines werden vervangen door moderne, meer geautomatiseerde techniek.

Vandaag leren kinderen op school middels laptops en tablets (snel en blind) typen als vaardigheid, net zoals ze leren schrijven op papier.

Och, hoe de tijden veranderd zijn…

DetectorDinsdag: Een tube PBG

Gevonden aan de buitenrand van München: een tube PBG. Wat is dat precies?

PBG staat voor “Pulverbeschichtungs-Gesellschaft“; een specifiek bedrijf uit Großostheim in Beieren. Ze zijn gespecialiseerd in Pulverbeschichtung, oftewel, in poedercoating. Dat is een elektrostatisch proces waarbij met een spuitpistool poeder wordt aangebracht op metaal. Tijdens het uitharden in de oven worden de poederdeeltjes door de warmte eerst vloeibaar. Daarna stroperig en vervolgens uitgehard tot een coating.

Interessant proces, maar wel minder chill dat dat de (half)lege tube in het bos gedumpt is. 🙁

Zuivere pilsjes uit Ingolstadt (Duitsland)

Onlangs liep ik in de Beierse stad Ingolstadt langs onderstaande plaquette, met prachtige afbeeldingen en een klein tekstje. Ik zocht op wat het betekende en ontdekte een grappig stukje geschiedenis.

In het voorjaar van 1516 werd in Ingolstadt een wet afgekondigd die de geschiedenis van bier voorgoed zou veranderen: het Reinheitsgebot. Deze “zuiverheidswet” bepaalde dat bier alleen mocht worden gebrouwen met water, gerstemout en hop. Meer niet. Gist werd pas later aan de lijst toegevoegd, toen men begreep waar dat mysterieuze schuim op het brouwsel voor diende.

De maatregel kwam van de hertogen Wilhelm IV en Ludwig X van Beieren. Hiermee moest de kwaliteit van het bier gewaarborgd worden. Ook kon het beschikbare graan (bijv. tarwe en rogge) zo gereserveerd/bewaard worden voor het bakken van brood. En als bijkomstig voordeel bleef de prijs van bier binnen de perken. Dat was in die tijd van algemeen belang, omdat bier dagelijks werd gedronken. Het was vanwege de gebrekkige riolering en afwatering in de steden vaak veiliger om bier te drinken in plaats van het lokale water.

Het Reinheitsgebot groeide uit tot een soort icoon van de Duitse brouwcultuur. Eeuwen later verwijzen brouwerijen er nog steeds naar op hun etiketten. Trots, alsof het een keurmerk van zuiverheid is. Hoewel de moderne Duitse bierwet (het Biergesetz) inmiddels iets soepeler is, blijft die oude bepaling uit Ingolstadt symbool staan voor wat Duits bier al 500 jaar belooft te zijn: eenvoudig, eerlijk en zuiver. 🙂

Gespot bij mijn grootouders: gekleurde lucifers!

Eén van de bekendste sprookjes van Hans Christian Andersen is “Het meisje met de zwavelstokjes” (1845) over een arm meisje dat met oud en nieuw blootsvoets door de stad zwerft en zwavelstokjes probeert te verkopen. Ik moest er meteen aan denken toen ik deze pakjes gekleurde lucifers vond bij mijn opa en oma. Hoe oud zijn lucifers eigenlijk? 

Er bestaan al heel lang allerlei voorlopers van de moderne lucifers. We weten dat mensen in de prehistorie reeds een soort “fakkels” maakten, zodat ze het cruciale gereedschap vuur konden verplaatsen zonder zichzelf (meteen) te branden. Deze werden vermoedelijk alleen gebruikt als aansteeklont; zodat er een nieuw vuur aangestoken kon worden met de smeulende resten van een oud vuur.

De Romeinen doopten stokken en kleine houtjes in smolten zwavel; ook bij wijze van fakkel. Deze moesten echter wel met vuur aangestoken worden en ontvlamden niet zelf. In historische Chinese teksten wordt dit principe ook beschreven. De tekst “Cho Keng Lu” (1366) vertelt over de verovering van de Noordelijke Qi-dynastie door de Noordelijke Zhou-dynastie in het jaar 577. Tijdens deze machtsstrijd zouden er zwavelstokjes van dennenhout gebruikt worden door het keizerlijke hof.

Een stuk later, in 1805, ontwikkelde Jean-Joseph-Louis Chancel in Frankrijk de dompellucifer: stokjes met zwavel en kaliumchloride die ontvlamden wanneer ze in zwavelzuur gedompeld werden. Niet erg veilig voor de vingers. Het idee was goed, maar de methode moest anders. Al vrij snel daarna ontwikkelde John Walker in Engeland de “friction match“: stokjes met kaliumchloride en antimoonsulfide die ontvlamden wanneer ze langs schuurpapier gewreven werden. Dit was echter nog steeds een vrij hardnekkig mengsel van chemicaliën. Bovendien vlogen de stokjes veel te snel en ongecontroleerd in brand.

Daarop ontwikkelde Gustaf Erik Pasch in 1844 in Zweden de veiligheidslucifer: stokjes met een kop van een verfijnd chemicaliënmengsel die alléén op een speciaal strijkvlak (van glaspoeder en rode fosfor) ontvlamden. Bijna direct werd de massaproductie van deze gebruiksvriendelijke lucifer gestart door het Zweedse bedrijf Lundström & Sjöberg. Ze patenteerden het in 1855.

Europeanen kochten (en kopen) lucifers meestal in doosjes met een strijkvlak. In de Verenigde Staten daarentegen, waren de zogenoemde luciferboekjes populair. Hierin zaten slechts 10 tot 20 kartonnen lucifers die uit het boekje gescheurd werden. De boekjes waren een effectief reclamemedium.

Lucifers bevatten vandaag overigens geen zwavel meer, maar een mengsel van ijzer en fosfor. Daarmee zijn ze veiliger te gebruiken en milieuvriendelijker te produceren. Dat gezegd hebbende… Altijd oppassen voor je vingers! 😉

Afdalen in een Noorse kopermijn

Op een vrije dag liftte ik met mijn collega Rosalin naar het dorpje Åmdals Verk, waar we de gelijknamige mijn bezochten. Eigenlijk is het dorpje vernoemd naar de mijn, want “Åmdals Verk” betekent letterlijk “het werk” of “de fabriek” van Åmdal; in dit geval was het de mijn die het werk verschafte. Zulke constructies kennen we niet in Nederland, maar in het buitenland komt het vaker voor.

Deze historie begint rond het jaar 1689. Een herder of een jager (niemand weet het precies) vond glanzende stenen in de bergen bij Åmdal. De stenen bleken koper te bevatten, een metaal dat toen van groot belang was voor gereedschappen, wapens en munten. Het nieuws verspreidde zich snel door de valleien van Telemark en al in 1691 verleende de Noorse koning de lokale bevolking toestemming om een kopermijn te beginnen. Zo ontstond “Åmdals Kobberverk”.

Provisorisch spoorlijntje om het erts te vervoeren (ca. 1910, publiek domein).

De eerste mijnwerkers kwamen uit omliggende dorpen. Ze woonden in houten huisjes dicht bij de ingang van de mijn en werkten van zonsopkomst tot zonsondergang. Hun enige bezit was hun eenvoudige gereedschap. In de donkere tunnels hakte men steen voor steen het kopererts uit de rotswand. Vervolgens werd het erts met paard en wagen/slee over nauwe bergpaadjes vervoerd naar de smelterijen, waarvan de meeste vele kilometers verderop lagen. Het werk was zwaar en gevaarlijk. Er waren instortingen, giftige dampen en lange winters waarin het werk stilviel. Toch groeide er langzaam een hechte gemeenschap rond Åmdals Kobberverk. De mijnwerkers brachten hun familie namelijk naar het mijngebied, waar zij eigen woningen, scholen en werkplaatsen bouwden. Er heerste een sterke arbeiderscultuur. Veel gezinnen leefden generaties lang in dienst van de mijn. Verhalen over het harde werk, de gevaarlijke omstandigheden en het hechte samenzijn behoren nog altijd tot het cultureel-historische erfgoed van Tokke.

Aan het begin van de 19e eeuw brak er een heuse bloeitijd aan. Buitenlandse investeerders, vooral uit Engeland, zagen namelijk potentie in de Scandinavische mijnen. Zo brachten ze ook geld, kennis en moderne machines mee naar Åmdal. Er werden nieuwe schachten gegraven en de productie nam sterk toe. In die periode was Åmdals Verk op zijn hoogtepunt. Er werkten meer dan 300 mensen en overdag was er in het dorp van alles te beleven. Het koper uit Åmdal werd over heel Noorwegen gedistribueerd en zelfs uitgevoerd naar het buitenland.

Maar, zoals wel vaker in de onvoorspelbare mijnbouw, volgden er al gauw moeilijke tijden. Tegen het einde van de 19e eeuw raakten de beste ertslagen uitgeput. De prijzen op de wereldmarkt daalden, maar de transportkosten bleven hoog. De mijn werd meerdere keren gesloten en heropend, afhankelijk van de economische situatie in Telemark op dat moment. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde de mijn nog één keer op, toen koper opnieuw hard nodig was. Maar in 1945 werd het werk in de mijn definitief stilgelegd. De arbeiders vertrokken. Bijna alle machines bleven achter en staan er vandaag stil, roestig en vervallen bij.

Foto via de website van Visit Telemark (klik hier).

Gelukkig erkenden de lokale bewoners de historische waarde van het mijngebied. In de jaren ’70 en ’80 werden er historici ingeschakeld. Samen verzamelden ze gereedschap, foto’s en verhalen van voormalige arbeiders en zo werd het Åmdals Verk Gruvemuseum opgericht. Dat is dus ook wat wij bezocht hebben en waar ik de informatie voor dit artikel gevonden heb. Bezoekers kunnen er leren hoe de kleine berggemeenschap van Åmdals Verk zich ontwikkelde tot een bloeiend industrieel centrum (met alle risico’s van dien).

Het leukste aan dit museum, is het afdalen in de mijnschachten. Een heel groot deel van het tunnelstelsel is gerestaureerd en opengesteld. Rosalin kende de gids; dat bleek een oud-klasgenoot van haar te zijn. Zij wilde ons graag een privérondleiding geven en zo daalden we met z’n drietjes af naar beneden, 300 meter de grond in. Zie je ons al gaan? Haha! 😀

Ik vind het mooi dat Åmdals Verk tegenwoordig een sterke educatieve functie heeft. De gids vertelde dat scholen en universiteiten het terrein gebruiken als voorbeeld van de vroeg-industriële ontwikkeling in Scandinavië. Daarnaast werkt het museum samen met lokale organisaties om ambachtelijke tradities, oude werktuigen en historische technieken levend te houden. We hebben echt genoten van alles wat we gezien hebben!