Huis Nijenburg in Heiloo

Aan de Kennemerstraatweg in Heiloo staat het Huis Nijenburg, een buitenplaats met een lange geschiedenis. Wie tussen Alkmaar en Limmen rijdt, komt er standaard langs. Het Heilooerbos ligt aan de andere kant van de weg. Een wandeling door het gebied levert in ieder seizoen mooie plaatjes op.

Archeologen en historici hebben onderzoeksgegevens gecombineerd en denken nu dat de naam “Nijenburg” verwijst naar het verdwenen kasteel Nieuwburg bij Alkmaar. Dit was een middeleeuws kasteel dat in de 16e eeuw werd verwoest, maar in de regio nog eeuwenlang bekend bleef. Door de naam voort te zetten, verbonden de latere bewoners van Heiloo hun buitenplaats met een zekere mate van status en macht.

Tekening door A. Rademaker (1718).
Collectie Regionaal Archief Alkmaar, PR 1001253.

Het huis dat we nu zien werd rond 1705 gebouwd in opdracht van Jan van Egmond van de Nijenburg. Hij liet een eerdere woning vervangen door een representatief landhuis in de destijds populaire Hollands-classicistische stijl.

Met de tijd veranderde het huis mee met de smaak van de bewoners. Rond 1730 kreeg het interieur versieringen in Lodewijk XIV-stijl. En rond 1830 werd de buitenkant aangepast: de gevel werd gepleisterd en voorzien van grotere ramen in Empire-stijl.

Tekening door C.W. Bruinvis (1895). Publiek domein.

Ook het landgoed ontwikkelde zich. De oorspronkelijke rechte lanen en zichtassen in barokstijl werden later aangevuld met slingerpaden en romantische doorkijkjes in de Engelse landschapsstijl. Sommige markante elementen zijn er vandaag nog steeds, zoals de beelden bij de vijver.

Vandaag is Natuurmonumenten de eigenaar van Huis Nijenburg, terwijl Stichting Hendrick de Keyser het huis beheert. Het landgoed (inclusief Heilooerbos) is altijd gratis toegankelijk. Het huis zelf opent haar deuren alleen voor speciale gelegenheden. Ik moet dit eigenlijk in de gaten houden, want ik heb er zelf nog nooit binnen gekeken.

Kortom, het Huis Nijenburg is een interessant gebouw in een mooie groene omgeving. En zo zie je maar weer: geschiedenis is overal. 😉

Gespot bij mijn grootouders: gekleurde lucifers!

Eén van de bekendste sprookjes van Hans Christian Andersen is “Het meisje met de zwavelstokjes” (1845) over een arm meisje dat met oud en nieuw blootsvoets door de stad zwerft en zwavelstokjes probeert te verkopen. Ik moest er meteen aan denken toen ik deze pakjes gekleurde lucifers vond bij mijn opa en oma. Hoe oud zijn lucifers eigenlijk? 

Er bestaan al heel lang allerlei voorlopers van de moderne lucifers. We weten dat mensen in de prehistorie reeds een soort “fakkels” maakten, zodat ze het cruciale gereedschap vuur konden verplaatsen zonder zichzelf (meteen) te branden. Deze werden vermoedelijk alleen gebruikt als aansteeklont; zodat er een nieuw vuur aangestoken kon worden met de smeulende resten van een oud vuur.

De Romeinen doopten stokken en kleine houtjes in smolten zwavel; ook bij wijze van fakkel. Deze moesten echter wel met vuur aangestoken worden en ontvlamden niet zelf. In historische Chinese teksten wordt dit principe ook beschreven. De tekst “Cho Keng Lu” (1366) vertelt over de verovering van de Noordelijke Qi-dynastie door de Noordelijke Zhou-dynastie in het jaar 577. Tijdens deze machtsstrijd zouden er zwavelstokjes van dennenhout gebruikt worden door het keizerlijke hof.

Een stuk later, in 1805, ontwikkelde Jean-Joseph-Louis Chancel in Frankrijk de dompellucifer: stokjes met zwavel en kaliumchloride die ontvlamden wanneer ze in zwavelzuur gedompeld werden. Niet erg veilig voor de vingers. Het idee was goed, maar de methode moest anders. Al vrij snel daarna ontwikkelde John Walker in Engeland de “friction match“: stokjes met kaliumchloride en antimoonsulfide die ontvlamden wanneer ze langs schuurpapier gewreven werden. Dit was echter nog steeds een vrij hardnekkig mengsel van chemicaliën. Bovendien vlogen de stokjes veel te snel en ongecontroleerd in brand.

Daarop ontwikkelde Gustaf Erik Pasch in 1844 in Zweden de veiligheidslucifer: stokjes met een kop van een verfijnd chemicaliënmengsel die alléén op een speciaal strijkvlak (van glaspoeder en rode fosfor) ontvlamden. Bijna direct werd de massaproductie van deze gebruiksvriendelijke lucifer gestart door het Zweedse bedrijf Lundström & Sjöberg. Ze patenteerden het in 1855.

Europeanen kochten (en kopen) lucifers meestal in doosjes met een strijkvlak. In de Verenigde Staten daarentegen, waren de zogenoemde luciferboekjes populair. Hierin zaten slechts 10 tot 20 kartonnen lucifers die uit het boekje gescheurd werden. De boekjes waren een effectief reclamemedium.

Lucifers bevatten vandaag overigens geen zwavel meer, maar een mengsel van ijzer en fosfor. Daarmee zijn ze veiliger te gebruiken en milieuvriendelijker te produceren. Dat gezegd hebbende… Altijd oppassen voor je vingers! 😉

Afdalen in een Noorse kopermijn

Op een vrije dag liftte ik met mijn collega Rosalin naar het dorpje Åmdals Verk, waar we de gelijknamige mijn bezochten. Eigenlijk is het dorpje vernoemd naar de mijn, want “Åmdals Verk” betekent letterlijk “het werk” of “de fabriek” van Åmdal; in dit geval was het de mijn die het werk verschafte. Zulke constructies kennen we niet in Nederland, maar in het buitenland komt het vaker voor.

Deze historie begint rond het jaar 1689. Een herder of een jager (niemand weet het precies) vond glanzende stenen in de bergen bij Åmdal. De stenen bleken koper te bevatten, een metaal dat toen van groot belang was voor gereedschappen, wapens en munten. Het nieuws verspreidde zich snel door de valleien van Telemark en al in 1691 verleende de Noorse koning de lokale bevolking toestemming om een kopermijn te beginnen. Zo ontstond “Åmdals Kobberverk”.

Provisorisch spoorlijntje om het erts te vervoeren (ca. 1910, publiek domein).

De eerste mijnwerkers kwamen uit omliggende dorpen. Ze woonden in houten huisjes dicht bij de ingang van de mijn en werkten van zonsopkomst tot zonsondergang. Hun enige bezit was hun eenvoudige gereedschap. In de donkere tunnels hakte men steen voor steen het kopererts uit de rotswand. Vervolgens werd het erts met paard en wagen/slee over nauwe bergpaadjes vervoerd naar de smelterijen, waarvan de meeste vele kilometers verderop lagen. Het werk was zwaar en gevaarlijk. Er waren instortingen, giftige dampen en lange winters waarin het werk stilviel. Toch groeide er langzaam een hechte gemeenschap rond Åmdals Kobberverk. De mijnwerkers brachten hun familie namelijk naar het mijngebied, waar zij eigen woningen, scholen en werkplaatsen bouwden. Er heerste een sterke arbeiderscultuur. Veel gezinnen leefden generaties lang in dienst van de mijn. Verhalen over het harde werk, de gevaarlijke omstandigheden en het hechte samenzijn behoren nog altijd tot het cultureel-historische erfgoed van Tokke.

Aan het begin van de 19e eeuw brak er een heuse bloeitijd aan. Buitenlandse investeerders, vooral uit Engeland, zagen namelijk potentie in de Scandinavische mijnen. Zo brachten ze ook geld, kennis en moderne machines mee naar Åmdal. Er werden nieuwe schachten gegraven en de productie nam sterk toe. In die periode was Åmdals Verk op zijn hoogtepunt. Er werkten meer dan 300 mensen en overdag was er in het dorp van alles te beleven. Het koper uit Åmdal werd over heel Noorwegen gedistribueerd en zelfs uitgevoerd naar het buitenland.

Maar, zoals wel vaker in de onvoorspelbare mijnbouw, volgden er al gauw moeilijke tijden. Tegen het einde van de 19e eeuw raakten de beste ertslagen uitgeput. De prijzen op de wereldmarkt daalden, maar de transportkosten bleven hoog. De mijn werd meerdere keren gesloten en heropend, afhankelijk van de economische situatie in Telemark op dat moment. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leefde de mijn nog één keer op, toen koper opnieuw hard nodig was. Maar in 1945 werd het werk in de mijn definitief stilgelegd. De arbeiders vertrokken. Bijna alle machines bleven achter en staan er vandaag stil, roestig en vervallen bij.

Foto via de website van Visit Telemark (klik hier).

Gelukkig erkenden de lokale bewoners de historische waarde van het mijngebied. In de jaren ’70 en ’80 werden er historici ingeschakeld. Samen verzamelden ze gereedschap, foto’s en verhalen van voormalige arbeiders en zo werd het Åmdals Verk Gruvemuseum opgericht. Dat is dus ook wat wij bezocht hebben en waar ik de informatie voor dit artikel gevonden heb. Bezoekers kunnen er leren hoe de kleine berggemeenschap van Åmdals Verk zich ontwikkelde tot een bloeiend industrieel centrum (met alle risico’s van dien).

Het leukste aan dit museum, is het afdalen in de mijnschachten. Een heel groot deel van het tunnelstelsel is gerestaureerd en opengesteld. Rosalin kende de gids; dat bleek een oud-klasgenoot van haar te zijn. Zij wilde ons graag een privérondleiding geven en zo daalden we met z’n drietjes af naar beneden, 300 meter de grond in. Zie je ons al gaan? Haha! 😀

Ik vind het mooi dat Åmdals Verk tegenwoordig een sterke educatieve functie heeft. De gids vertelde dat scholen en universiteiten het terrein gebruiken als voorbeeld van de vroeg-industriële ontwikkeling in Scandinavië. Daarnaast werkt het museum samen met lokale organisaties om ambachtelijke tradities, oude werktuigen en historische technieken levend te houden. We hebben echt genoten van alles wat we gezien hebben!