We hebben beneden in het Isartal even heerlijk een frisse neus gehaald door met de detector en een schep door de bevroren bodem heen te werken. We verwachtten er helemaal niks van, maar kwamen toch wat interessante dingen tegen.
Hoe leuk zijn die onderbindschaatsen? Het duurde niet lang voordat we het paar compleet hadden. Natuurlijk zagen we meteen voor ons hoe iemand deze gebruikt heeft om naar de overkant van de Isar te schaatsen. Maar hoe kun je ze dan achterlaten? Gewoon vergeten? En was die emaillen mok dan van dezelfde persoon? Haha! Verder vonden we nog een simpele ijzeren ring en een zware pin waarmee traptreden en trapleuningen in de bergwand worden bevestigd. Je ziet die pinnen overal hier in de omgeving. Typische Alpiene vondsten, toch? 😀
Gisteren was het precies dertig jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. West-Duitsland (de BRD) en Oost-Duitsland (de DDR) werden samengevoegd tot een nieuwe Bondsrepubliek Duitsland. In Baarn werd deze gebeurtenis groots herdacht met aandacht voor West én Ost. Er werden lezingen georganiseerd en interviews gehouden (met o.a. Egbert Jacobs, de laatste Nederlandse ambassadeur in de DDR). Maarten van Rossem en ik boden nog wat extra historische context. Geheel in stijl in een retro-outfitje, haha!
De bijdragen van de aanwezigen maakten indruk. Zo vertelde een dame dat zij en haar vriendinnen -allemaal huisvrouwen uit de DDR- ontzettend veel stress kregen van het assortiment in de supermarkt dat met de opheffing van de DDR plotseling ook voor hen in Dresden verkrijgbaar was. Ze waren het huismerk gewend; in winkels kon je weinig kiezen. Het westerse kapitalisme overviel hen omdat de vrouwen nu voor ieder product uit minstens vijf opties konden kiezen. Iets waar ik als kind van de jaren ’90 nog nooit over nagedacht had!
Verder waren er Trabantjes en vloeide de Sekt rijkelijk. Het was een leerzaam en ook gezellig weekend! 🙂
Een tijdje geleden heb ik in Freiburg de filmscreening van “Skulls, of my People” bijgewoond. Dit is een Zuid-Afrikaanse documentaire door Vincent Moloi, waarin getoond wordt hoe Namibische schedels (en andere stoffelijke resten) terechtkwamen in diverse Europese steden. Belangrijk is dat erbij uitgelegd wordt waarom deze objecten daar niet thuishoren.
Het is een pijnlijke en indrukwekkende film, hoewel de aantallen enigszins gemanipuleerd en gedramatiseerd zijn (aldus mijn scriptiebegeleider Dr. Dag Henrichsen). Na afloop was er een wetenschappelijke discussie, geleid door Julia Rensing. Julia is een Namibiëspecialist gelieerd aan de Universiteit van Freiburg; ik had haar al eerder in Basel ontmoet. Tijdens de discussie werden de cijfers bijgesteld en uiteindelijk werd er hierover consensus bereikt onder de aanwezigen.
Het werd me goed duidelijk hoe gevoelig dit onderwerp ligt bij velen. Dit thema is nog altijd zeer relevant voor de betrekkingen tussen de Duitse en Namibische regeringen. De discussie bood me daarom waardevolle input voor mijn scriptie.
Historisch correct?
Geschikt en nuttig voor leerlingen?
Ja, maar aantallen kunnen overdreven zijn.
Vanwege het gevoelige onderwerp vooral geschikt voor studenten. Minder geschikt voor jonge leerlingen.
Mijn dank gaat uit naar de Kommunales Kino Freiburg voor de uitnodiging.
Of om specifiek te zijn: herzliche Grüsse aus Wuppertal!
Ik ga hier de komende weken aan de slag met het materiaal uit de archieven van de Vereinte Evangelische Mission(VEM). Helemaal top is dat ik met de Schwebebahn naar mijn werk ga, haha!
Tijdens mijn verblijf in Berlijn zag ik verspreid door de stad aanplakbiljetten voor een unieke tentoonstelling in de Deutsche Bank KunstHalle, in samenwerking met het Tate Modern. Dit museum is voor €4 te bezoeken, dus er is niets dat me tegenhield om even te gaan kijken.
Wie Fahrelnissa Zeid (1901–1991) was, wist ik alleen maar vaag omdat ik ooit eens een stukje over haar gelezen had. Fijn voor mezelf dus om weer even wat informatie op te zoeken. En nodig ook, want deze Turkse kunstenares behoort tot de opvallendste vrouwelijke kunstenaars van de 20e eeuw. Zeid werd geboren als Fahrünissa Şakir in Istanbul, in een Ottomaanse familie van goede komaf. Ze groeide op in de periode waarin het voormalige Ottomaanse Rijk (geleid door de sultan) plaatsmaakte voor de moderne Turkse republiek (geleid door de president). Ze studeerde aan de kunstacademie in Istanbul en vervolgde haar opleiding in Parijs, waar ze in aanraking kwam met stromingen uit de (West-)Europese moderne kunsten.
Ze ontwikkelde al snel een geheel eigen abstracte schilderstijl. Haar schilderijen lijken op mozaïeken, met explosies van kleur, geometrische vormen en vervaagde patronen. Grote kleurvlakken smelten samen met caleidoscopische patronen, soms met piepkleine details. Hoe langer je kijkt, hoe meer vormen je ontdekt. Mij deed het ook wel denken aan glas-in-loodramen, maar dan zonder symmetrie of religieuze voorstellingen. Over smaak valt niet te twisten, maar mij spreekt het wel aan. Ik vind de werken te druk om (als poster) aan mijn eigen muur te hangen, maar ik vind de stijl mooi en intrigerend.
In 1920 trouwde ze met prins Zeid bin Hussein een lid van de Hasjemitische koninklijke familie van Irak. Sindsdien was ze bekend als (prinses) Fahrelnissa Zeid. Samen kregen ze een zoon, prins Ra’ad bin Zeid. Door haar huwelijk kwam Zeid terecht in internationale diplomatieke en zelfs koninklijke kringen, wat haar leven en carrière mede zou beïnvloeden. Zeid woonde en werkte gedurende haar leven dan ook op verschillende plekken, waaronder Istanbul (Turkije), Parijs (Frankrijk), Londen (Engeland) en Amman (Jordanië). Critici menen die internationale context ook terug te zien in haar kunst, omdat traditionele patronen (met bijbehorende vaste kleurcombinaties) worden afgewisseld met een lossere toets, in lijn met Europese modernistische stijlen.
Begin jaren veertig sloot Zeid zich aan bij de avant-gardistische kunstenaarskring D Grubu in Istanbul. Ze behoorde tot de weinige vrouwelijke leden van de groep, die zich afzette tegen traditionele kunstvormen en veel experimenteerde met nieuwe richtingen. In 1948 exposeerde ze in de Saint George’s Gallery in Londen, waar haar werk zelfs de aandacht trok van koningin Elizabeth II. Na de oorlog had Zeid dus ook buiten Turkije naam gemaakt. In de jaren ’70 verhuisde de familie naar Jordanië, waar Zeid een eigen kunstschool oprichtte. Ze wijdde de rest van haar leven aan het opleiden van een nieuwe generatie kunstenaars, met bijzondere aandacht voor vrouwelijke studenten. Ze had immers zelf, als vrouw uit een traditionele leefomgeving, ook zo veel kansen gekregen in het leven. Fahrelnissa Zeid overleed in 1991 in Amman.
Na mijn bezoek aan de tentoonstelling dronk ik nog een frisje in het nabijgelegen PalaisPopulaire en dacht ik na over Zeids levensverhaal. Vandaag heeft haar werk een vaste plek verworven in de internationale kunstgeschiedenis en ik snap nu veel beter waarom.
Als voortzetting van het archiefonderzoek voor mijn scriptie, maakte ik een kort uitstapje naar Berlijn. Dit was immers ook ten tijde van het moderne imperialisme de hoofdstad van Pruisen/het Duitse Rijk. Als de Duitse koloniale geschiedenis ergens uitgelicht wordt, dan zou je het hier verwachten. Ik bezocht het Deutsches Historisches Museum dus met een missie.
Helaas kwam ik bedrogen uit. Na een wandelroute langs zo’n 40 zalen met Europese, Frankische, Pruisische en Germaanse geschiedenis, ontdekte ik welgeteld één donkere hoek met koloniale geschiedenis. De enige informatie over Deutsch Südwestafrika is een bordje met de tekst: “Aan het begin van de 20e eeuw heeft het Duitse Rijk een genocide gepleegd in het huidige Namibië”. Verder biedt het museum geen achtergrondinformatie of verdieping. In de vitrine een paar willekeurige voorwerpen van overzee.
Dit kan beter, denk ik dan. Deze ontdekking bevestigt in ieder geval mijn vermoedens over de omgang van de huidige Duitse regering met haar koloniale verleden en onderstreept de noodzaak tot een betere (meer volledige) informatievoorziening hierover. Júist in musea!